Geplaatst door: 
Verhaal

Het Grote en het Kleine Veer te Dalfsen

Het heeft wel lang geduurd eer Dalfsen een brug over de Vecht heeft gekregen. Wanneer we daarbij b.v. naar Ommen zien dat al vóór 1495 van bisschop David van Bourgondië verlof gekregen had een brug over de Vecht te maken terwijl Ommen reeds in 1434 van de bisschop het bestaande veer pachtte .

Waarom moest Dalfsen zolang van een brug verstoken blijven? De hoofdreden zal wel zijn dat het kerspel Dalfsen zelf niet in het bezit van de veerstal over de Vecht was. Deze was n.l. in handen van Huize Rechteren dat het recht van het Veer van de bisschop van Utrecht gekregen had, wanneer is niet bekend, maar het moet lang vóór 1376 zijn geweest. Huize Rechteren had een flinke opbrengst uit het Veer die toenam naarmate het aantal bewoners van het kerspel Dalfsen groeide zodat wel te begrijpen is, dat tenslotte maar uit node afstand van de "heerlijke rechten" van het Veer werd gedaan. Ook ligt Dalfsen niet aan de hoofdverkeerswegen, vroeger niet en nu ook niet. Het Veer was dus alleen maar van plaatselijke betekenis. De bronnen waaruit we voor dit artikel konden putten, zijn in hoofdzaak te vinden in het archief Rechteren.

Er waren vroeger twee Veeren bij Dalfsen.
Het Grote Veer en het Kleine Veer. Het Grote Veer wordt ook wel het Hooge Veer genoemd, omdat het hoger op, stroomopwaarts boven het andere Veer lag. Het was het voornaamste Veer en dus ook, het Dalfser Veer. Het diende voor het overvaren van personen en wagens en vee van het gehele kerspel en ook van vreemde reizigers. Het Kleine Veer echter was alleen een personenveer en wel speciaal voor boeren uit de buurtschap Emmen, het Emmer Veer. Het werd ook wel het  lage of Neder Veer genoemd omdat het lager, stroomafwaarts was gelegen. Daarom draagt het ook de naam van het NijeVeer en in samentrekking NierVeer of NeerVeer.
        
                         Zeer oude tekening van de achterkant van het huisje.

Deze naam duidt er dus op dat, dat Veer van een latere datum is dan het Grote Veer. Uit een charter van 1376 blijkt, dat het Neerveer bij Emmen echter al enige tijd bestond. In genoemd jaar heeft n.l. de bisschop van Utrecht, Arend van Hoorn, een geschil beslecht tussen ridder Frederik van der Eze, heer van Rechteren en zijn veerman te Dalfsen aan de ene zijde en de veerman van Emmen aan de andere zijde. Deze veerman zal jaarlijks een emmer boter moeten geven aan Frederik van der Eze of zijn erfgenamen. Hij moet dan de boeren van Emmen gratis overvaren, maar voor de anderen mag hij een veergeld berekenen. Ruim een eeuw later was de Emmer veerman opnieuw nalatig in het betalen van de emmer boter aan de heer van Rechteren, waarop deze de veerman gerechtelijk liet panden. Het pleidooi van Johan Henricks, de voorspraak of advocaat van jonker van Rechteren, voor den rechter van Dalfsen gehouden, is nog bewaard gebleven. Het geschil werd uiteindelijk in hoger beroep in de Klaring beslist en jonker van Rechteren, dank zij de overgelegde brief van bisschop Arend van Hoorn, in het gelijk gesteld terwijl de buren van Emmen wegens onrechte pandwering in een boete werden veroordeeld. In het midden der 16e eeuw is er in de marke Emmen "twist en schillinge" geweest tussen Frederik van Keppel en de boeren van Emmen, over het Nierveer. Besloten werd, dat de erfgenamen op de brinkspraeke het veer verpachten zullen  aan een "goede" man van zes tot zes jaren, die de boeren goed moet bedienen met het overvaren.

Pachtbrief.
Men zal een pachtbrief opmaken en daarin tevens vermelden, dat de veerman niet meer koeien op de "holle weg", een weide, mag houden, dan twee of drie, die van hemzelf zijn. Ook zal hij niet meer ganzen, eenden of hoenders mogen houden dan van elk drie of vier stuks. Voorts moet de veerman de Redewech, die beneden langs Frederik van Keppels land gaat, steeds voor hem openen en wat er verder nodig is te doen. Vervolgens wordt er op gewezen, dat van Keppel's huis voor het grootste deel op de veergrond staat. Maar zo lang de erfgenamen het goedvinden, mag het er blijven staan en de veerman zal moeten trachten van Keppels grond zoveel mogelijk te mijden.

Ook zijn dan de erfgenamen nog overeengekomen, dat de holtsprake, voortaan beginnende in het jaar 1546, bij elke meierman om beurten zal worden gehouden en dat met de hof te Emmen zal worden begonnen, terwijl de veerman steeds moet zorgen, dat een ton bier wordt gekocht voor een Joachimsdaalder
Omdat Frederik van Keppel's huis op de grond van de erfgenamen staat, zal diens meier (pachter), die tevens de pachter van het Veer is, een goede schinken geven. De landheer van dit erve, Frederik van Keppel, heeft dit goedgevonden. En de meier, waar de holtspraak gehouden wordt, zal deze schinken laten klaarmaken en dan zullen de meiers ieder voor hun landheer kost en brood meebrengen. De voornoemde bisschoppelijke brief heeft ook later nog herhaalde malen dienst moeten doen. Zo kwam deze brief vaak ter sprake voor de schout te Dalfsen in de 17e en 18e eeuw om de “heerlijke rechten” op de veerboter te kunnen aantonen, als de inwoners van het schoutambt Dalfsen weer eens weigerachtig waren deze veerboter te geven. En het laatst moest dit toevallig bewaard gebleven oude perkamenten document uit het jaar 1376 in 1812 voor de prefect van de Monden van de IJssel aantonen, dat de graaf van Rechteren dat recht reeds sedert de 14e eeuw bezat.

Over enkele pachters en veerlui van Het
Grote en Het Kleine Veer.

In het voorgaande hebben we reeds met een veerman van het kleine NierVeer kennis gemaakt. Het was Werner Wyggerts. Maar van deze is geen pachtbrief bewaard gebleven. De oudste pachtbrief dateert van het jaar 1525. In dat jaar verpacht Catharina van Opijnen, weduwe van Rechteren, aan Johan Seep, diens vrouw Helle van Nergennae, en aan Esken Bensinck en diens vrouw Katharina het Veer te Dalfsen, gelegen in de buurtschap Milligen voor de tijd van 18 jaar, tegen een pachtsom, die gedeeltelijk uit geld en gedeeltelijk uit boter en ganzen bestaat.
Het huis en herberg "het Oude Veer" lag ongeveer op de N-W hoek van de viersprong aan de Stationsweg. De dijk was er toen nog niet, deze is van later datum,                        onderstaand uit archief van Rechteren.
              
           

Op de oudste kadastrale kaart nr 43 van Dalfsen is het huis getekend in het verlengde van de Rechterse dijk gelegen. Het zal wel afgebroken zijn met de aanleg van de dijk en straatweg van het kruispunt naar het westen. De pachters huurden hiermede dus het erve en goed "Het Veer" te Dalfsen, met daarbij behorende zowel oude als nieuwe gronden, hoge bouwlanden en lage weiden, alles gelegen in de buurtschap Milligen. De pachters zullen er voor moeten zorgen, dat huis en hof, hooiberg en schuur goed worden onderhouden (in "raecke en daeke" houden). Rake is het vlechtwerk tussen de vakken, de wand dus. Dit vlechtwerk van rijshout werd met klei bestreken. Het was dus niet sterk en had wel onderhoud nodig. Het dak is het rieten of strodak, dat ook geregeld gerepareerd moest worden. Ook zullen ze de Veerdienst getrouw verrichten en de mensen goed ten dienste staan, alles naar ouder gewoonte. Het land, dat tot het erve behoort, zowel de hoge als de lage landerijen, zullen behoorlijk moeten worden bemest, bezaaid en bebouwd, zulks met het oog op de tienden en garven, die er van moeten worden gegeven. Het haverland eist nog een bepaalde methode van cultuur. Het mag maar twee jaar achter elkaar met haver worden bezaaid, om daarna twee jaar als weide te dienen, zodat hun dus een wisselbouw van twee jaar werd voorgeschreven. Ook al weer, zoals dat van oudsher de gewoonte is geweest. De pacht bestaat dan uit een Heeren pond met St. Maarten te betalen, voor de "Weerd", d.i. een lage weide langs de Vecht, met St. Maarten te betalen, 30 olde Vlaamsen, met Kerstmis te geven voor een offerpenning, 2 vat boter. Betalen ze deze met St. Maarten, dan mogen ze hiervoor de boter nemen, die zij als veergeld van de bewoners van het kerspel krijgen, de z.g. veerboter dus. Na St. Maarten moeten ze goede Meiboter geven. Verder nog een vette St. Maartengans of twee magere. En mochten ze niet op tijd de pacht voldoen, dan is de vrouwe van Rechteren gerechtigd, het erve aan iemand anders te verhuren. Ook zouden er nog de artikelen aan het pachtcontract worden toegevoegd. die er in dat van Berend stonden. Maar deze worden niet vermeld. Aan het slot der huurcedel is kort daarop bijgeschreven. Dat in 1532 Otto van Rechteren het Veer voor 20 jaar aan Esken Bensyck en zijn vrouw heeft verhuurd.  Deze is dus nu alleen de veerman. Het is mogelijk dat het andere paar zich teruggetrokken  heeft  doordat ze te oud waren geworden of inmiddels overleden waren. Hoelang Esken Bensink op het Veer gewoond heeft  weten we niet. Hij heeft een zoon gehad, Johan of Jan Eskens, die op het Veer geboren is omstreeks 1527 en er 16 jaar gewoond heeft. Johan Eskens moest in 1597 toen hij omtrent 70 jaar oud was als getuige voor het gerecht verschijnen voor de eveneens verschenen Adolf van Rechteren en met nog Hillebrand Smit (72 jaar) en Rotger Stoffels (69 jaar) als getuigen. De heer van Rechteren moest toen kunnen aantonen en bewijzen dat het Veer en eveneens nog twee weerd -erven met twee herbergen geen belastingen behoefde te betalen.
In deze kondschap zegt; Johan Eskens dan dat hij nooit gehoord heeft dat er enige schatting, accijns of anderszins betaald werd. Toen er enige jaren geleden op het land "swarichheit en schattinge sie gelecht wert " toen werden van zijn vader zaliger de koeien in beslag genomen omdat hij geen belasting wilde betalen. Maar later kreeg hij ze weer "kost- en schadeloos" terug. Tevens verklaarde hij dat het "ein keizerlijk frij veer genoemd hadden plegen te worden" en als zodanig dan "gefreyt". Vrij was van alle lasten. Ook behoefde hij geen land- of herendiensten te verrichten. Deze Johan Eskens woonde toen waarschijnlijk niet meer op het Veer. Vier jaar later  in 1601  wordt er als bewoner van het Grote Veer opgetekend: Maarten op 't Veer. Het erve had een grootte van drie mudde gezaai en dan nog het weideland voor zijn koeien. Hoeveel hij betalen moest  wist hij niet, omdat hij daarvoor het Veer moest bedienen.

Kopie van een Kondschap.
Dezelfde Maarten Coertsen of Coender sop 't Veer vinden we in de kopie van een kondschap over het Veer, die betreft bovenvermelde vrijstelling van belasting. Ze is vermoedelijk van 1603.
Den 5 december moest Juf. Margaretha van Munster, wed. van wijlen Jonker Zeger van Rechteren overleden in 1603, voor het gerecht verschijnen om de boven gemelde vrijstelling te kunnen bewijzen. Ze was door Jonker van Raesfeld tot den Ruytenberg gepand. Maarten Coenders bewoonde als meier het Veer en moest kondschap geven dat het Veer altijd vrijgesteld was geweest van accijnzen. Mede werden toen vertoond de lofwaardige kondschappen van Hillebrand Smit, Jan Esken en Rutger Stoffer, bovengenoemd.In genoemd verpondingregister van 1601 is er voor het Nierveer geen bewoner genoemd.
Er staat aangetekend: Nijenfeers kotterstede den Corbelt, ses muddes gesey end een koeweide, umtrent vier muddes haverlandts, gift Arent van Dulman ses mudde roggen, nu geseyet vier mudde. Keren we nu weer terug naar het Grote Veer, dan hebben we daarvan weer een pachtcontract uit 1626. Jan Essehens is nu de pachter. Behalve de vroeger ook genoemde hoge en lage landerijen, wordt er nu ook nog  4 morgen land aan toegevoegd, gelegen in de mars te Wijthmen. Deze grond had de weduwe Haverink tot nu toe in gebruik. Hij moet aan pacht betalen: 210 gulden, één vat qoede Meiboter of hier voor 65 keizerguldens , een voorbede van 100 gulden aan de landheer en een rozenobel aan de vrouw, een rozenobel is een oude Engelse gouden munt, met de afbeelding van een roos er op, die later ook in  Nederland werd geslagen.   De waarde was ongeveer f 12.- In 1638 is er al weer een andere pachter van het Grote Veer. Werner Hendriksen heeft het dan gepacht voor jaarlijks 233 goudgulden à 28 stuiver, een vat goede meiboter en 6 daalders voor de smalle tienden. Hij heeft het er langer volgehouden dan zijn voorganger, ondanks de hoge pacht die er van het Veer betaald moet worden. Hij zal daarvoor wel de veerboter hebben mogen houden, die hij moest beuren. Een later pachter geeft veel minder pacht, maar heeft dan ook geen recht op deze veerboter. Werner Hendriksen, die was in 1660 nog meier van het hoge en ook van het lage Veer.

Kerkdijk.
         
      

Hij was toen een 60 jaar oud en had al 32 jaar op het Veer gewoond. In 1689 leeft hij nog en is dan 86 jaar oud. Warner van der Vechte, de oude veerman, moet dan een verklaring geven hoe de "Kerkdijk" aan zijn naam gekomen is. De Kerkdijk loopt van het grote Veer naar de Millinger Es en deze dijk is door de huislieden  bewoners van Lenthe, Rechteren, Millingen en Hessum op order van de graaf van Rechteren aangelegd en gemaakt speciaal met het doel, dat diegene  die van de zuidzijde van de Vecht, bij hoog water naar Dalfsen ter kerke willen gaan, er met droge voeten zouden kunnen komen. Zie kaart. Daarom "Kerkdijk" genoemd. Het recht tot het maken van deze dijk berust bij de heer van Rechteren. Reeds een tweehonderd jaar vroeger wordt deze Kerkdijk genoemd. In 1483 n.l. verkoopt Egbert van Millingen een stuk land aan Frederik van Rechteren dat bij de Vecht ligt aan de Berg grenst en zich uitstrekt langs de Kerkdijk het onaanzienlijk landweggetje  dat men nu nog vinden kan van de straatweg, de Rechterse dijk, recht naar de spoorwegovergang ten oosten van het station lopende en van daar naar de Millinger Es langs de Wagenkolk. Deze Wagenkolk is een heel oude Vechtarm.  Vermoedelijk een zoon van deze Werner pacht in 1663 het Veer. Het is Hendrikus op die Vechte. De pacht gaat met Petri in en bedraagt 200 Keizer gulden voor het lage land en voor het bouwland de garve. n.l. van vijf, twee, verder een vette gans, twee paar hoenders en een paaschwegge. Het hooiland  genaamd het "Eiland" valt buiten de verpachting omdat de schout het in pacht heeft. Verder wel het “land" dat Steven verleden zomer gescheurd heeft, toekomende en de daarop volgende zomer moet het weer met haver bezaaid worden. En dan moet hij op de twee achtereenvolgende jaren weer een blok scheuren dat in langen tijd niet gescheurd is geweest.
De laatste twee jaar van de zes jaar huur, mag hij in het geheel niet zaaien en moet hij de Woest (de Weerd?) in het geheel weiden. Hij moet zorg dragen dat het bouwland op tijd wordt  geploegd,  bemest en gebouwd. Verder moet hij het Grote en het Neerveer bedienen, van het huis moet hij "wanten glote dichte holden", benevens het bakhuis en de berg dakdicht. De meier, die op het Veer woont moet ook op de beesten en paarden letten dat deze geen schade veroorzaken in  de twijgweert bij het huis en dan mag hij evenzo veel turf graven als de andere meiers in het Rechterse veen, plaggen maaien in het veld en beesten naar het Dalmsholt drijven, zoals altijd op dit erve gebruikelijk is geweest (29 Januari 1663).

Neerveer.
Voor het erve Neerveer vinden we een huurcedel van het jaar 1652. Willem Jansen huurt het dan voor 2 mud haver, een vette gans, een paar hoenders jaarlijks, met de hof en het lage land.
Uit het bovenstaande huurcontract van Hendrikus op die Vecht, volgt, dat de bewoner van het Neerveer niet het kleine veer meer bedient, Hendrik op die Vecht schijnt er niet lang gewoond te hebben, want in 1684 pacht Gerrit Jansen het Veer. Hij geeft dan , van het bouwland de garven, te weten van de vijf twee. Verder van elke koe die hij weidt, 6 goudgulden en van ieder paard 12. Het bedrag voor de kalveren zal nog nader worden vastgesteld.
Het geld, dat hij van vreemde passagiers van het veer beurt, is nu voor de pachter zelf. Maar hij mag verder niets meer genieten van de regaliën (landheerlijke rechten) van het Veer. Op 18 Februari 1687 wordt er al weer een nieuw huurcontract opgemaakt. Het is de reeds genoemde Gerrit Jansen op  het Veer te Dalfsen, die het erve of Grote Veer pacht, gelegen in de buurtschap Millingen en wel voor 30 keizer gulden, voor ",het gerstzaad uit vijf twee en van ieder koebeest zes goud gulden. Van de paarden, die hij meer dan twee heeft, zal hij ook moeten betalen. En dan nog een vette gans,een paar hoenders en alleen dit jaar een vetten weer (ram), wanneer hij deze beschikbaar heeft. Verder moet hij de "Weerd" vreeden, d.i. omheinen. De Weerd is n.l. een weideland langs de Vechten en grenst met zijn westelijk einde aan het Grote Veer. Ten westen  hiervan ligt dan ook nog het Veerland.  In 1784, 27 april, zijn de condities en voorwaarden opgemaakt voor een nieuw verpachten van het Grote Veer, of het recht van overvaren over de Vecht voor Dalfsen met schuiten als met scholden, zoals dat van oudsher gebruikelijk is geweest. Maar dan met die verandering, dat de ingezetenen van het schoutambt Dalfsen, die niet verkiezen met veerboter, rogge of haver te betalen, nu het gewone veergeld iedere maal als ze overvaren mogen betalen. Ook is nog één van de voorwaarden, dat de pachter vrij moet overvaren wat met de wagen van Dalfsen naar Rechteren of terug moet worden gebracht. Verder mogen de bezitters van het Huis Rechteren en "alle derselver gezelschappen en domestiquen met hare personen en goederen" en ook die van Huize Ruitenberg en hun meiers het Veer vrij gebruiken.
Het onderhoud van schuiten en scholden komt verder ten laste van de pachter. Ook de bomen, die hij nodig heeft bij het overvaren van schuiten en scholden moet hij zelf aanschaffen. En de schuiten en schalde moet hij rein en goed onderhouden, het Veer ook vlijtig en goed bedienen zonder klachten. Op deze voorwaarden is Derk Lefers dan veerman geworden en meier van het Grote Veer voor 75 gulden pacht per jaar. Hoelang hij veerman geweest is, weten we niet. Er is ondertusseneen andere tijd gekomen en met vele dingen die vanouds her bestonden, is gebroken toen de Fransen in ons land kwamen. Wel is de graaf van Rechteren in het bezit van zijn veerstal gebleven.Al moest hij in 1812 voor de prefect van de Monden van de IJssel kunnen aantonen, dat hij in het bezit van die rechten was. Hetgeen hij toen kon bewijzen door die bisschoppelijke brief uit het jaar 1376. De Veerstal bestond in 1812 uit:

het Grote Veer.
Waarmede vervoerd kunnen worden: met de veerpont (scholde) rijtuigen en personen en met een schuit alleen personen of vee.De pacht van het grote Veer bedroeg toen 159 gulden. 12 stuivers en het huis is verhuurd voor 45 gulden per jaar.
  
het Kleine Veer.
Ook wel genoemd het Nijeveer of het Nierveer dat alleen maar bestemd was voor personenvervoer met schuiten. De opbrengst van dit veer is van weinig betekenis terwijl de pacht met gebruik van het huis. schuur en erf 75 gulden per jaar bedraagt.

   

OVER DE VEERBOTER.
Volgens de verplichtingen "van olds her". moest ieder huis of erve in het kerspel Dalfsen gelegen, elk jaar vier pondboter betalen als veergeld. de z.g. "veerboter". Daarvoor hadden dan de inwoners van het kerspel vrije overvaart over de Vecht. Maar echter niet vaker dan twee keer per dag en dan alleen over het Grote Veer. Het Kleine Veer was alleen voor de bewoners van de buurtschap Emmen bestemd. En deze behoefden geen veerboter te betalen een enkele uitgezonderd. Men vindt tenminste  in de registers van de Veerboter geen boeren uit Emmen genoemd. De vreemdelingen d.w.z. de mensen die buiten het kerspel Dalfsen woonden, de z.g. buitenman moest veergeld betalen. Gedateerd 12 Augustus 1733 vinden we een lijst van het veergeld voor het Grote Veer. Een buitenman met wagen en peerden met de scholde over de Vecht per keer 6 stuivers  zonder voor die personen, die daar op zitten iets meer te nemen. En bij laag water er door kunnende varen. 3 stuiver per paard of ander beestiaal, met de scholde, 2 stuiver  en daardoor gedreven of gereden wordende, 1 stuiver per schaap, varken, gevaren 4 penningen,  gedreven half te veel met de schuite van Martini tot Mey: 8 penn. en inmiddels (daartussen) 4 penn. De binnenman als hij veerboter of zaad geeft, is vrij, doch mag met de scholde niet vaker dan twee keer overvaren. Desgelijks zijn ook vrij alle militairen, een karrewagen 3 st. een chaise met  1 paard en meer als één paard daarvoor  4 st. en daardoor varende de halfscheid. Aan het Nierveer of elders geen beestialen laten overzetten of overdrijven, of hij moet dit aan de veerman van het Grote Veer betalen. Iemand die vrij van veergeld is, mag geen beesten (koeien van buiten het kerspel) of schapen onder zijn eigen mengen. Vaart met hoog water de veerman zijn woning voorbij met de schuit, dan mag hij van iedere persoon 1 st. extra nemen. Opmerkelijk is hierbij, dat het in de zomermaanden de helft goedkoper  is, maar dat dan de wagens zelf door de rivier kunnen rijden en dat de beesten er door gedreven worden. Het water was dan wel bijzonder laag.  Met hoog water in de winter betaalde men meer, vooral als de veerman dan nog de aanlegplaats voorbij voer. Voor de mensen, die vaak van het veer gebruik maakten, was de betaling van de veerboter niet zo'n groot bezwaar. Maar er waren ook vele personen, die zelden of nooit naar de overkant van de Vecht moesten en voor die was het wel een onaangename belasting. Ook al daarom, omdat men dit boterrecht niet kon afkopen of zich ervan ontdoen door te zeggen dat men wel telkens betalen zou als men overvoer. Wel was het mogelijk in plaats van de boter rogge te geven n.m. 5 spind of ook wel één gulden aan geld. Men kan ook half boter half rogge geven. Dit werd door enkele boeren dan ook gedaan.

Het boterde niet erg met de boter.
Maar toch, het boterde niet erg met de boter. Het voldoen van de veerboter vlotte lang niet al te best. Vooral  in het laatst van de 17e eeuw vindt men herhaaldelijk de aantekening, "moet vele jaren nabetalen". Er zijn sommigen, die in geen 20 jaar veerboter hebben betaald. Meerderen in geen 6 tot 10 jaar. Pas na circa 1720 wordt het regelmatiger, vooral nadat er aan verscheidene personen, die de veerboter niet betaalden, een aanzegging was gedaan, om aan hun verplichtingen te voldoen. Nu komen de betalingen wel los, maar er zijn ook vele personen, die komen klagen, dat ze de veerboter niet kunnen voldoen. Er zijn veel arme mensen onder en die worden er dan van vrij gesteld. Maar ze moeten er voor komen werken. En dit gebeurt dan twee dagen per jaar, wieden in de hof (tuin) of arbeiden in de bossen van Rechteren. Verder zijn er verschillende personen, die één of ander karweitje hebben opgeknapt en die kunnen daarmee dan volstaan. Ambachtslieden,  timmerlui die aan de scholde (veerpont) of op Huize Rechteren hebben gewerkt,  de kuiper, enz.   Hendrik Cuyper heeft als verwalter scheut met het authentiseren van de papieren, het Veer betreffende  de veerboter verdiend. De koster Godefried Edelijn is vrijgesteld, omdat hij de kerke spraken over de veerboter heeft afgelezen. Ook de ambtsdienaars of armenjagers zijn vrijgesteld vanwege hun beroep. Vrijgesteld zijn verder ook de meiers, die onder Rechteren of onder de Rutenberg horen.


Boeren klagen.
Dan komen er vele boeren klagen, dat het hun zo moeilijk valt aan hun verplichtingen te voldoen, omdat ze niet zoveel koeien hebben. Ook reeds in 1668 had de schout van Dalfsen allen, die de veer boter weigerden te betalen, laten panden. Ze willen dan wel met een paar hoenders per jaar voldoen, het geen dan goed gevonden wordt. Weer andere boeren klagen over de slechte tijden, nu de landen zo weinig opbrengen. Maar ook zijn er kwesties van heel andere aard., Zo vinden we die van Gerrit op Damman (in een extract uit  het protocol van het schoutambt Dalfsen van 31 Januari 1737). Deze Gerrit is pas op het erve Damman komen wonen, een erve waar de last van de veerboter op rust. Maar hij heeft nu eenmaal geen belang bij het Dalfser Veer. Want als hij zelf over de Vecht wil gebruikt hij altijd de schuit van zijn landheer, Dr. Muntz . En als hij er soms eens met de wagen over zou willen gaan --- wat trouwens maar zelden gebeurt --- dan vaart (rijdt) hij door de Vecht bij het huis van Oltmans, waar een openbare weg is.

Recht  op…….
Hij heeft dus helemaal geen behoefte aan het Veer. En hij wil zich dan ook niet met zo'n jaarlijkse uitkering bezwaren. Wel wil hij, als hij van het Veer zou gebruik maken, het verschuldigde veergeld betalen. En dan komt hij later, 24 Juni 1737, met nog een ander argument. Hij zegt dan dat zijn landheer, Dr. Muntz, hem verboden heeft de veerboter te geven, wanneer deze eigenaar van het erve geworden is. Maar dit is geen zaak met de  eigenaar, maar met de bewoner van het erve. Het is een last, die op het huis rust en die de bewoner er van moet voldoen. Ook de gravin van Rechteren, die deze procedure voert, kan daarin geen verandering brengen. Het merkwaardige is dat het recht rust op alle woningen in het kerspel  zowel op de oude erven, die er al van heel vroeger zijn, als op de nieuw gebouwde huizen. En het is zeer begrijpelijk, dat Huize Rechteren niet van dat recht afstand kan of wil doen. Het aantal huizen breidt zich steeds meer en meer uit en er komen telken  nieuwe woningen bij, al is dit dan ook vaak clandestien. Het was in die tijd nog voorschrift in de marken, dat er geen nieuwe woningen mochten worden bijgezet, dan. Na goedkeuring van de marke, waarvoor dan weer een zeker bedrag moest worden betaald. En nu waren het meest de minst bedeelden, die genoodzaakt waren, ergens in de wildernis een nieuw bestaan te zoeken, omdat het ouderlijk huis hun geen ruimte meer bood. Ze ontgonnen een nieuw stuk grond, zetten een huis op de gemene  grond en probeerden dan een bestaan te vinden. Maar het bleven kleine kotterboertjes  die doorlopend in geld verlegenheid zaten en dus ook geen belang hadden de veerboter te betalen.

Zo lezen we, dat Gerrit  op 't Zand zich  in de wildernissen van het Dalmsholt achter de Vennenberg een huisje getimmerd heeft, zo omstreeks het jaar 1690. En wel juist (goed uitgekiend) op de scheiding van het Dalmsholterbroek en de grens van de marke Hessum, zodat men niet precies wist, waartoe hij gerekend moest worden, hijzelf natuurlijk het liefst tot geen van beide. Maar die van Hessum wilden hem tot hun gebied rekenen, wat echter wel zeer twijfelachtig scheen te zijn. En zo is Gerrit weer een mooie tijd vrijgesteld geweest, zolang de heren het er nog niet over eens waren. Maar in 1730  was hij zo langzamerhand in beter doen geraakt en werd hij dan eindelijk ook voor de veerboter aangesproken.  Hendrik op de Stikke, die in 1652 op de Stikke is komen wonen, zegt dat het huis er al wel een 40 jaar gestaan heeft en dat ze nog nooit veerboter hebben betaald. En een opvolger van hem, die er in 1725 op kwam, heeft vanaf dat jaar tot 1735 maar 2  pond boter voldaan.

Verder is er ook nog een Berend op de Stikke, die woont in het nieuwe huisje in Vriesens  Sterrenbos (1744) en die ook nog nooit boter heeft betaald.  In dezelfde omgeving woont een Albert op den Buckler (Bokkelaar of Bokenberg), een oud erve toch  maar die tot 1706 helemaal niets heeft betaald en  daarna wat geregelder. Maar meestal voldeed hij met te komen arbeiden in de hof. Die op het "Moer" wonen  geven elk jaar hun vier pond boter, maar de Slendebroeker meiers doen half boter en half rogge, dus 2  pond boter en 2½  spind rogge.
En zo zijn er meer, Herman Lamberts, die al sedert 1688 op de katerstede "De Mane" woont, betaalt geen boter, omdat zijn heer van de Leemcule hem gezegd heeft, dat hij geen boter hoeft te geven. Hij zelf heeft niet geweten dat alle inwoners van het kerspel moeten betalen. Wel heeft hij van vele goed heren gehoord, dat als ze overvoeren, ze dan met veergeld konden volstaan (1732).


tegenwoordige oude veerhuisje      


Tegenzin van het betalen veerboter.
Later werd het gewoonte met paard en wagen de boerschappen rond te gaan om de veerboter op te halen.  Allicht deed men dit, omdat anders de boter helemaal niet meer binnen kwam.
De buurtschappen ten zuiden van de Vecht werden in één dag bewerkt en die ten noorden eveneens in een dag. Bij kerken sprake werd dan van te voren bekend gemaakt op welke dag de boter zou worden opgehaald. Uit de kerken sprake van 15 Juni 1748 vernemen we dat er vooral in de Veldhoek en in Lenthe en Millingen zeer veel in qezetenen zijn, die, toen men daar met de wagen was rondgegaan, in gebreke waren gebleven om de veerboter te voldoen. Voor een niet genoemd jaar werden onder Rechteren en Millingen van 39 + 8 personen, dus 47 personen boter gebeurd, terwijl er minstens 60 gezinnen wonen. Voor Hessum is dit 12 en 21. En opmerkelijk is, dat uit de marke Emmen maar twee personen veerboter betalen,. n.l. Labert Egberts op 't Lambert en Derk Wichers terwijl er toch zeker 52 gezinnen zijn.  Zijn die andere inwoners vrijgesteld omdat ze alleen van het kleine Veer gebruikmaken?  En zo blijkt er dan steeds meer een tegenzin te bestaan in het betalen van veerboter, juist doordat er nu vele inwoners bij zijn gekomen. Die geen koeien houden of die geen bouwland hebben en die geen boer meer zijn, vooral in het dorp Dalfsen. En zo hebben we dan ook onder de pachtvoorwaarden van Derk Lefers gezien  (1784) dat wanneer er inwoners mochten zijn, die niet verkozen de veerboter e.d. te betalen, zij konden volstaan met veergeld telkens bij het overvaren te geven. Dit is dan ook meer in de geest van de nieuwere tijd  die we nu tegemoet gaan.
Het schijnt ook wel, dat met de komst van de Fransen in ons land, de gewoonte om met boter te betalen  langzamerhand  is opgehouden.
Na de Franse tijd lezen we er niet meer over.
Wanneer dan ons land is bevrijd van het Franse juk, komt er weer wat orde op een en ander. Maar met sommige pont- en schuitveren blijkt dat toch nog lang niet het geval te zijn. De stiptheid en nauwkeurigheid en de goede orde ontbreekt er nog wel eens. En zo doen op 6 Februari 1817 de Ged. Staten van Overijssel een resolutie kond (gedateerd 28 Januari 1817), om de eigenaren van de Veren hierop attent te maken. In deze verordening wordt dan o.a. gezegd, dat de veerlui de Veren met de meeste bescheidenheid behoren te bedienen, de vaartuigen moeten goed in orde worden gehouden en door deskundigen in Mei en Oktober worden geschouwd en daarvan moet dan op 1 Juni en 1 November aan de Gouverneur der Provincie rapport worden uitgebracht. Ook mag de overvaart niet worden gestremd en tevens moet het tarief der veergelden aan beide zijden van de rivier worden vermeld op een bord met goed leesbare letters. Voorts moet er op toegezien worden, dat bij het overvaren de ponten voldoende zijn bemand om het veer behoorlijk te bedienen opdat de reizigers aan geen gevaren worden blootgesteld.

De Scholde te Dalfsen bleek niet zo best meer te zijn.
Ook de pont of scholde over het grote Veer te Dalfsen bleek niet zo best meer te zijn en moest nodig vernieuwd worden. Dit lezen we n.l. in de notulen van de gemeenteraadsvergadering van Dalfsen van 21 Februari 1821.  Want in die vergadering besloot de raad van de gemeente een brug over de rivier de Vecht te leggen. Bij hoog water en vooral bij ijsgang was het dikwijls ondoenlijk om over te varen, wat een groot ongerief gaf aan de inwoners en de reizigers.De gemeente stelde zich toen in verbinding met de eigenaar  van het Veer, de graaf van Rechteren en deze was niet ongenegen de Gemeente toe te staan een brug over de rivier te leggen (schrijvenvan 5 April 1821). Maar hij stelde daarbij de voorwaarde, dat na verloop van 12 jaar, dus tot 1833, het Huis Rechteren de vrijheid zou houden om de brug tegen teruggave van de gemaakte eerste kosten, aan zich te trekken of dan weer voor een  tijd van zes jaar te verhuren, de eerste 12 jaar dan voor een huur van f 150.- per jaar en daarna voor f 200.- per jaar. Verder zouden dan in de dijk, die de brug met de Kerkdijk zou verbinden, de nodige duikers of water lossingen moeten  komen. Ook zou het Huis Rechteren en de schipper van Hessum als van oud vrij van bruggelden zijn. Dit schrijven wordt in de Raad behandeld op 12 Mei 1821, doch de gemeenteraad vindt het voorstel van de graaf van Rechteren toch te onzeker en ook te duur. Ze maakt een berekening van de voordelen, die de graaf van Rechteren uit het Veer trekt en komt dan maar tot een uiteindelijk voordelig saldo van f 60.- per jaar. Zo gezien is dus een bedrag van f 150.- veel te hoog. Ook dat de graaf het recht wil houden de brug weer aan zich te kunnen trekken, geeft een te grote onzekerheid. De Gemeente weet dan niet, of ze al dan niet in het bezit van de brug zal blijven, terwijl de Gemeente toch de brug zal moeten betalen, en zien de gelden bijeen te brengen. Daar het Huis Rechteren genegen is te bevorderen, dat er een brug over de Vecht komt en dit toch ook in het belang van de ingezetenen is, doet de raad het voorstel aan Rechteren, om het grote Veer aan de Gemeente af te staan tegen een billijke schadevergoeding, hetzij als afkoopsom in eens of tegen een jaarlijkse uitkering.

Een Brug…….
Maar Rechteren zal af moeten zien van het recht de brug later tot zich te kunnen trekken. Ook wil de Gemeente het kleine Veer wel overnemen, als de Graaf van oordeel mocht zijn,dat dit nu minder zou gaan opbrengen, als de brug klaar is.De 4 Juni is er een schrijven van de rentmeester van het Huis Rechteren, dat dit niet ongenegen is op het laatste voorstel, het afkopen tegen billijke voorwaarden, in te gaan. Nu zou men zo denken, da er nu spoedig een brug kwam. Echter is dit niet het geval en blijft een en ander nog rusten tot 1834. Er is wel  een plan voor de brug gemaakt, gedateerd 19 December 1832, maar dit is blijven liggen. Waarom wordt er nu in één keer zo'n haast achter gezet? Wel  dat vindt zijn oorzaak in het volgende. Er is n.l. een plan van de Provincie ter sprake gekomen op 26 Februari 1834. Deze willen een plan uitvoeren om te komen tot een verharde weg van Zwolle naar Ommen. Nu was het eerste plan, deze te maken door het dorp Dalfsen en dan meteen een brug over de Vecht te slaan. Maar nu heeft de Provincie het plan gewijzigd en zal de weg komen ten zuiden van de Vecht over Vilsteren naar Ommen, waardoor Dalfsen uitgeschakeld wordt. En dit zal natuurlijk erg schadelijk voor het dorp zijn. De graaf van Rechteren zal de brug over de Vecht niet bouwen, maar hij wil wel de bestaande Veren aan Dalfsen afstaan. En wel voor een som van f 5000.- in eens of een jaarlijkse pacht van f 200.-.


Eventueel wil hij voor dit bedrag deelnemen in de geldlening, die Dalfsen zal moeten sluiten.  De provincie maakt nu een taxatie van de kosten van een brug op 22 Juli 1835. Het beloopt een bedrag van f 14.649.-. Zodat men met die f 5000.- voor de afkoop van de veren een bedrag van rond f 20.000.- nodig heeft. Men denkt dit bedrag in 40 jaar af te lossen met f 500.- per jaar. Om deze jaarlijkse aflossing plus de rente van het resterende bedrag te vinden, zal men een tol- of bruggeld heffen. En ook voor het ophalen van de brug voor de schepen, die de Vecht bevaren, zal men ook een klein bedrag (5 cent) vragen . Doordat het tol- of bruggeld beduidend lager zal zijn dan het bestaande veergeld, hoopt men hiermede de inwoners en verder reizigers te gerieven. Men stelde de bedragen tegen over elkaar in een tabelletje, waarin dan nog werd vastgesteld , het bedrag  dat door de Provincie werd vastgesteld. Van een wagen met twee paarden met meerdere paarden, ieder paard meer een kar of chais met 2 paarden idem of wagen met 1 paard  een paard of runder,  schaap of varken, elke passagier veergeld, bruggeld. Voor de periode van 10 November tot 1 Mei was met het veer het bedrag voor een passagier 2 cent. En wanneer men dan bij laag water met rijtuig of vee de rivier doorwaadde, betaalde men de helft van het veergeld. En als men bij hoog water het oude veerhuis voorbij voer, kwam er voor elke passagier 5 cent bij. Het veergeld was in hoofdzaak nog hetzelfde gebleven als een honderd jaar tevoren. Het bruggeld, dat de Gemeente vastgesteld had voorde vaartuigen op de Vecht; vonden Ged. Staten onbillijk en wilden dit niet heffen omdat het huns inziens niet in het belang van de scheepvaart was, maar eerder tot een last er van. Toch is dit bruggeld later wel geheven... Vervolgens vinden we dan een missive van Ged. Staten van 18 Februari 1836, waarbij de Koning per 1 Februari machtiging heeft verleend om een brug over de rivier te leggen ter vervanging van het bestaande pont- en schuitenveer. Ook wordt er machtiging verleend tot het aangaan van een geldlening groot f 20.000,-.  In de Overijsselsche Courant van 4 Maart 1836 vinden we dan het bericht, dat er een lijst ter intekening ligt op het kantoor van de Gemeenteontvanger. (Besluit der Gemeenteraad van 2 Maart 1836.) Op 18 Juni besluit dan de Gemeenteraad de brug aan te besteden, hetgeen op 4 Juli geschiedt, nadat er een advertentie in de Overijsselsche Courant is geplaatst. Aanbesteed wordt dan,  het maken van een houten brug met twee stenen landhoofden, het bouwen van een stenen brughuisje en het grondwerk, bestaande in het maken van een dijk, foto aansluitende op de Kerkdijk aan de zuidzijde en aan de noordkant een aanvulling met de Belt. De totale kosten van de brug hebben, met overname van het pontveer, tenslotte bedragen f 19.827.55, terwijl er het eerste jaar een opbrengst aan bruggelden was van f 1200.-. De ingezetenen hadden verzocht (30 Oktober 1836) om afkoop of abonnement van bruggelden, zoals dat ook met de veergelden mogelijk was geweest. Dit verzoek werd door de Gemeente ingewilligd. De abonnementen brachten het eerste jaar een bedrag op van f 800.-.  Alles bij een genomen, kon de Gemeente er dus wel mee uit en heeft de brug dus zeker aan de verwachtingen voldaan. Tot 1939 heeft de houten brug bestaan en is toen door een grote ijzeren vervangen. Evenwel was deze maar een kort bestaan beschoren. Met de bevrijding van Dalfsen, 13 April 1945, hebben de terug trekkende Duitse troepen de brug in de lucht laten vliegen,


waarmede het er vlak bijstaande oude brughuisje eveneens verdween en het dorp verder ook grote schade opliep. Toen keerde de oude toestand nog een korte tijd terug en moest men weer van een pontveer gebruik maken, wat een reusachtig oponthoud aan het verkeer veroorzaakte. Daarna was er tijdelijk een noodbrug en nu is er weer een moderne ijzeren ophaalbrug.  Zo is er van het oude HoogeVeer niets meer over dan de naam voor een welland aan de Vecht: het Veerland.

De boerderij het "Neerveer" bestaat evenwel nog steeds.

A. H. LUTJE SCHIPHOLT.
Bewerkt door Historische Kring Dalfsen.
 

Reacties