Geplaatst door: 
Verhaal

De ringmuur om kasteel Rechteren in Dalfsen

Het kasteel Rechteren bij Dalfsen, aan de zuidzijde van de Overijsselse Vecht - nu nog het enige middeleeuwse kasteel in de provincie -is volgens de geschreven bronnen zeker reeds sinds 1320 een weerbaar huis. Tot op heden was het altijd in het bezit van het geslacht van Voorst/van Heekeren - dat zich later Van Rechteren noemde - en werd ook meestal door leden van dit geslacht bewoond.

Uit een oorkonde van 1315 valt af te leiden dat Herman van Voorst, een Hof genaamd Rechteren,  in bezit krijgt door ruiling van twee erven in de buurtschappen aan de noordzijde van de Vecht met de Graaf van Bentheim. De hof had toen al een eerbiedwaardige ouderdom. Rond 1230 wordt deze reeds vermeld. Er kan toen al heel goed een versterkte woonstede geweest zijn met dubbele grachten. een wal en een palissade, van waaruit de Zwollenaren het leven zuur gemaakt werd.

Herman van Voorst en zijn neef Roderik zijn na 1315 kennelijk met bekwame spoed gaan bouwen en reeds in 1320 stond er een versterking, die er voor de bisschop van Utrecht bedreigend moet hebben uitgezien. Zij dragen hun huis dan ook schielijk op aan de Bisschop van Utrecht om moeilijkheden te voorkomen. Zij verkrijgen dan het recht om verder te bouwen en te versterken, mits het “castrum” een open huis van het bisdom zou blijven. Dit betekent, dat de bisschop er te allen tijde ten eigen nutte gebruik van zou mogen maken.

 

 

Het is mogelijk, dat toen al de grote ronde toren met zijn muren van ongeveer twee meter dikte is ontstaan. Overigens valt er weinig van te zeggen, hoe het kasteel er uitzag. We mogen er wel van uitgaan dat de toren fungeerde als hoektoren van een rechthoekig geheel. Het tegenwoordige grote rechthoekige gebouw wordt door de architectuurhistorici in de vijftiende eeuw gedateerd, maar kan heel goed op oudere funderingen opgetrokken zijn. Voortbordurende op deze gedachte laat zich ook de stelling verdedigen. dat eerst voor woongelegenheid gezorgd is, zodat men tussen 1315 en 1320 begonnen is met de ommuring van de kasteelstede en vervolgens een woonvleugel heeft opgetrokken. Vanuit deze optiek zou het te verdedigen zijn, dat pas na 1320 een aanvang gemaakt werd met het bouwen van de zware donjon, de nu nog bekende ronde toren. In ieder geval dient men rekening te houden met de omstandigheid, dat de benodigde massa`s bouwmateriaal niet zonder meer ter beschikking stonden en dat er gebouwd werd van ongeveer maart tot oktober, zodat het werk elk jaar zeker vier tot vijf maanden stillag. Het optrekken van een kasteel betekende een onderneming aanvangen, die vele jaren in beslag nam.

 

 

Waar- in die dagen - in de veertiende eeuw dus - de ingangszijde van het kasteel gezocht moest worden, blijft tot nu toe onduidelijk. Het valt aan te nemen. dat de oude hof niet zonder meer geslecht en daardoor van de aardbodem verdwenen is. Het moet waarschijnlijker worden geacht, dat men zijn werkzaamheden vanuit die oude hof georganiseerd heeft, dat bouwmateriaal daar opgeslagen was en dat de timmerlieden daar hun werkplaats vonden. Het ligt dan ook voor de hand. dat de oude hof als voorburcht van het nieuwe hoofdgebouw is gaan fungeren en dat men de nieuwbouw over die hof bereikte. Wanneer we dan het terreinschetsje uit de 18de eeuw in aanmerking nemen en de kadastrale opmeting van rond 1820 daarbij niet vergeten te raadplegen,  dan lijkt het waarschijnlijk dat de veelbesproken hof aan de noordoostzijde van het huidige kasteel gezocht zal moeten worden. Deze veronderstelling leidt tot de conclusie, dat de middeleeuwse ingangszijde haaks stond op de huidige. De kasteelpoort bevond zich in deze opvatting links van de ronde toren.

 

 

Uitgaande van de gegevens uit laat 14de eeuwse bronnen mogen we vaststellen dat er aan Rechteren regelmatig gebouwd werd en het uiterlijk van het kasteel steeds aan veranderingen onderhevig was. Zo wordt er in 1376 gesproken over de inwijding van een kapel met twee altaren, gewijd aan de H.Gregorius martelaar en de H.Theobaldus. Reeds op 14 oktober 1365 vermaakten Frederik van Heeckeren en zijn vrouw Lutgardis bij uitersten wille goederen aan een kapel. op te richten voor het Huis Rechteren. Met deze plaatsbepaling zouden we erg tevreden kunnen zijn, indien we met zekerheid konden vaststellen waar in de veertiende eeuw de voorzijde van het Huis gezocht diende te worden. In 1400 wordt er gesproken van een kapel bij de muur,  waaruit men zou kunnen afleiden, dat de hierna te bespreken ringmuur vóór 1400 gebouwd moet zijn. Tenslotte maakt een oorkonde uit 1427 opnieuw gewag van de kapel; daarbij bevindt zich dan ook een kerkhof! De bisschop stelt een aflaat in het vooruitzicht voor degenen, die op het kerkhof bij de bedoelde kapel hun gebeden komen uitstorten. Intussen is het, juist door de vermelding van een kerkhof,  weinig waarschijnlijk dat de merkwaardig grote ronde toog in de torenmuur - zoals wel eens is verondersteld – met de kapel te maken zou hebben. Misschien wel met een huiskapel, uitsluitend ten dienste van de kasteelbewoners. Na een verzoek in 1429 wordt namelijk door de bisschop toestemming verleend de mis te celebreren op een draagbaar altaar in verband met de slechte gezondheid van de kasteelvrouwe; ook hieruit zou men kunnen afleiden. dat de kapel geen onderdeel van het wooncomplex uitmaakte. De vergunning gold voor twee jaar! Trouwens, in een stuk van 14 november 1444 is nogmaals sprake van een kapel vóór het huis.

 

 

In het begin van de zestiende eeuw werd Rechteren betrokken in de strijd van de Gelderse hertog Karel van Egmond tegen de Bourgondiërs. Dit had ook voor de kapel zo zijn gevolgen. ln 1522 werd het kasteel namelijk bezet door de troepen van Karel van Egmond. Bisschop Hendrik van Beieren - bisschop van Utrecht - gaf in 1524 opdracht het kasteel te belegeren. Dit krijgsgebeuren had voor het kasteel kennelijk desastreuze consequenties; een toren werd bijna geheel terneder geschoten. Tot een bestorming kwam het evenwel niet; op 10 december sloten de partijen een verdrag. Deze gebeurtenissen lieten ook de kapel niet onberoerd. De rentmeester van de Gelderse hertog, Jacob ter Starte, gaf een overzicht van de gelden,  die hij aan Rechteren ten koste had gelegd. Daaruit blijkt. Dat 'der Capellen vur Rechteren afgebroicken wort'. In duidelijke taal: rond 1524 is de kapel die voor het huis stond gesloopt.

ln de rekening van Jacob ter Starte wordt ook - voor het eerst! - over de ringmuur gesproken: 'Item den 20 dach in Mayo gewonnen twee steenmesselers met eenen opperknecht, soe dat huys grote vensteren hadde, deselve laten tomaecken. De rynckmueren mytten kelder lach ale open, dat to samen laten stoppen, so men best mocht'. Met deze kelder bedoelde men wellicht de brugkelder ter plaatse van de verbinding van het hoofdgebouw met het voorterrein, dat ongetwijfeld door een gracht van dat hoofdgebouw was gescheiden.

 

 

Het is begrijpelijk. dat genoemde ringmuur de geesten wel heeft beziggehouden. Toen op het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw er veel gebouwd en gerestaureerd werd door de toenmalige bewoners. J.H. Graaf van Rechteren Limpurg en vooral door zijn zoon, A.Z. Graaf van Rechteren Limpurg. werd er nogal eens wat muurwerk van vroeger eeuwen teruggevonden.

ln 1912 kreeg L.A. Springer opdracht een fraaie tuin om het kasteel aan te leggen; bij deze gelegenheid zijn de fundamenten van de ringmuur ontdekt en blootgelegd. Het enige wat tot nu toe bekend was, is het mondeling overgeleverde verhaal, dat de muur zo breed was, dat er een wagen op kon staan. Totdat in 1985 de eigenaresse en bewoonster E.M.C. Gravin van Rechteren Limpurg tussen papieren van geheel andere aard twee lichtdrukken vond van een tekening met op elk de helft van een ringmuur; maar deze bleken niet op elkaar aan te sluiten. Gezien de tekenwijze en het lichtdrukken moeten deze documenten zijn gemaakt tussen 1930 en 1940, maar dan wel via een overgetrokken tekening van een basis- of kladtekening uit ca. 1912, want na die tijd is de fundering niet meer blootgelegd. Zowel de oorspronkelijke tekening als de tekening van ca. 1930-1940, waarvan de lichtdrukken zijn gemaakt,  werden tot op heden niet teruggevonden.

 

 

Bij het bestuderen van de twee niet aaneensluitende lichtdrukken bleek dat men bij de opmeting van de aan de dag gekomen verschijnselen men is uitgegaan van de nog bestaande toren en woonvleugel. Dit bracht schrijver dezes ertoe, eerst de maten van de toren en de woonvleugel exact op papier te zetten en daarna de gegeven maten in te passen. Toen werd duidelijk dat de doorsnede van de toren te klein was weergegeven en dit resulteerde weer in een niet-aansluiten van de twee delen. Na correctie van de torenafmeting pasten de twee delen wel aan elkaar, zodat er nu een grote tekening op schaal 1:50 kon worden vervaardigd. De nu beschikbare plattegrond van de ringmuur vertoont deze als een scheef vierkant om de middeleeuwse delen -toren en woongebouw - van Rechteren.

Wellicht mogen we er ook uit afleiden dat de oostelijke aanbouw van de achterzijde van het woongebouw tijdens het optrekken van de ringmuur reeds aanwezig was. Om de toren heen werd de ringmuur rond uitgebouwd. De nu aanwezige bouwhuizen hebben zowel hier als aan de zuidoostzijde de waarnemingen ongunstig beïnvloed en ten dele ook vrijwel onmogelijk gemaakt.

Bezien we de getekende muurdelen en vergelijken we ze met elkaar, dan valt ons op dat de uitstulpingen aan de binnenzijde bij de zuidwestmuur een andere vorm hebben en talrijker zijn dan bij de tegenoverliggende muur. Dit zou kunnen duiden op verschillen de bouwfasen en/of functies. Die aan de achterzijde kunnen zonder bezwaar beschouwd worden als de grondslagen van de steunberen, waarop de bogen van de weergang gerust hebben. De ingangspartij, die nu aan de noordwestzijde ligt, heeft zich misschien - gelijk we boven reeds zagen - aan de noordoostzijde bevonden. De tekening geeft hierover helaas geen uitsluitsel. Een nieuw licht - en dan ook zekerheid - kan alleen een gedegen onderzoek opleveren.

In 1986 is nog een kleine tekening gevonden met muuropmetingen; het maatschetsje geeft de omgeving van de toren weer. Het zou een deel van de originele opmeting kunnen zijn; bij vergelijking echter met de lichtdruk krijgt men zo zijn twijfels. Er zou voor deze lichtdruk best een andere gebruikt kunnen zijn, daar op de lichtdruk enkele details weergegeven zijn die ontbreken op het schetsje.

Overigens berust het mondeling overgeleverde verhaal van de wagenbrede muur ten dele op waarheid, wanneer men de muurbreedte en steunbeer (ca. 2.50 meter) op de volle lengte doordenkt.

Blijft nog de datering. In een stuk uit 1400 wordt er gesproken van een kapel bij de muur. Dezelfde kapel waarvan elders gezegd wordt dat hij voor het huis stond. Uit de bewoordingen zou men kunnen afleiden, dat de ringmuur er toen al was. Concretere gegevens kunnen we helaas niet aandragen; we moeten tevreden zijn met de plaatsbepaling van de ringmuur en hopen op een gedegen onderzoek in de toekomst. Een onderzoek, dat een scherpere datering mogelijk zal maken.

 

Dit artikel van de hand van A. Goutbeek is eerder gepubliceerd in Rondom Dalfsen, nr. 28

 

 

 

Reacties