Geplaatst door: 
Verhaal

Dokter-Dominee Seyger van Rechteren uit Dalfsen en de VOC

‘1600 Slag bij Nieuwpoort’. Afgezien van wat men zich daarbij voorstelt, voor velen is dat het enige jaartal uit de lagere schooltijd dat is blijven hangen. Veel meer moeite hebben we met het daarop volgende jaartal: ’1602 De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht; Oldenbarnevelt; de Heren Zeventien’. Maar het is wel het jaartal dat we in het jaar 2002 regelmatig zullen tegenkomen: 400 jaar VOC, in kranten, tijdschriften, boeken, tentoonstellingen, websites enz.

Wat heeft de VOC echter te maken met ”Rondom Dalfsen”? Eén van de nakomelingen van het geslacht Rechteren te Dalfsen, Seyger van Rechteren, heeft vier jaar en zes maanden lang heel indringend zo’n VOC-tocht beleefd en opgeschreven in zijn reisjournaal. Wat hij heeft ervaren en ondergaan tart elk voorstellingsvermogen.

Werkend aan zijn reisjournaal is hij op een schilderij vereeuwigd door de Haarlemseschilder Hendrick Heerschop, een leerling van Rembrandt. Dit schilderij, gemaakt na zijn terugkeer in 1633, bevindt zich nu in het museum van West-Europese en Oosterse Kunst in de Letlandse stad Riga.

Wie was deze Seyger (of Zeger) van Rechteren?

De twee oudste geschilderde portretten in het kasteel Rechteren zijn de twee panelen van omstreeks 1560 met daarop Johan van Rechteren en zijn echtgenote Agnes van den Clooster. Zij hadden één dochter, Anna en vijf zonen: Adolf, Reinhard, Zeger, Heinrich en Otto. De oudste, Adolf, komt op Rechteren en na zijn overlijden in 1602, wordt zijn tweede broer Zeger de nieuwe bewoner. Broer Reinhard krijgt het goed Egede bij Hancate toebedeeld. Deze Reinhard is, voor zover bekend, ongehuwd, maar heeft wel vier bastaarden nagelaten: twee meisjes en twee jongens, die later allen in Zwolle wonen. De jongste, Seyger, een kleinzoon van Johan en Agnes, geboren in 1600, huwt vóór 1628 met Anneke Heimans, weduwe van Wolter Alberts. Zij is dochter van Heiman Hendriks, schout van Zalk.

Het is deze Seyger die met zijn vrouw en kinderen de barre tocht naar India (Oost-Indië) onderneemt, waarin bijna alles misgaat wat maar mis kan gaan. Hij zal voor ons zijn bijgehouden journaal hier en daar even openslaan en wij mogen over zijn schouder kijkend hemzelf aan het woord laten. 'In de jare 1628 hebben mij de Bewinthebbers van de Oost Indische Compagnie binnen Amsterdam aangenomen als Kranckbesoeker nae Oost Indiën te vaeren, om aldaer de verblinde Heijdenen van haeren afgodischen dienst, tot de ware Christelijke Gereformeerde religie te brengen.’

Hij is 28 jaar, wanneer hij met zijn vrouw en twee kinderen, een zoontje van ruim een jaar en een dochter, op 8 december 1628 vertrekt uit Amsterdam over de Zuiderzee naar Texel, om daar op de Oost-Indië-vaarder over te schepen. Maar voordat ze daar aankomen, lopen ze vast op een zandbank en zijn bijna door ‘groot peryckel van lijf ende goed verlooren gegaen’.

Op 11 december gaan ze in Texel aan boord van de Wessanen. Er wordt voor de veiligheid in konvooi gezeild - denk aan kapers, storm, ziekte enz. - met nog vier schepen: de Broekerhaven, Beets, Ossanen en het admiraalschip Hollandia, het leidinggevende schip met admiraal Jacobus van de Speckx. Door windstilte zijn pas op 25 januari 1629 de zeilen gehesen. Op 28 januari voegen zich bij Duijns nog eens drie schepen onder hun commando: Prins Hendrik, Dergoesen en Soutelande.

Op 1 februari begon de uitdeling van het rantsoen per week aan het gewone volk: ‘3 1/2 pond brood, 1/2 pond boter en 4 soetemelk keesen voor de hele reis’. Op 4 februari, met veel wind in de nacht vond een aanvaring plaats van onze Wessanen met de Hollandia, waardoor boegspriet, galjoen en ’t thuyanker verloren gingen. Verder gaat het door het Kanaal, langs de Franse kust, waar ze op 20 februari een natuurverschijnsel waarnemen. ’s Nachts om 2 uur heeft zich op de toppen van de masten ’eenighe vreevyeren geopenbaert: welcke vreevyeren zijn flickerende vlammekens oft kaerskens die in korten tydt verdwijnen’. Het Sint-Elmusvuur heeft zich laten zien. Op 7 maart zien ze het Canarische Forta Ventura, waar ze ’s nachts een Spaans vissersschip overmeesteren. De 2000 gevangen vissen werden verdeeld over de vloot, terwijl de vissers met hun lege boot weer werden vrijgelaten.

Noorderbreedte 17 graden ende 2 minuten, op 17 maart zien ze de Kaapverdische Eilanden St. Antonio en St. Vincent; woeste kusten en ruw weer. Na een week konden ze met moeite aan land komen. Dominee van Rechteren wordt ontboden bij de admiraal van de Hollandia, waar hij in de branding bijna omkomt: ‘ende in’t aenkomen aen de straat soude bynae verongeluckt hebben, want de zee die daer met sulcken gheweldt aenpersten,’twelck seer hooghe ende schrickelijke brandinghe maeckt, hadde my so ick meende aen lant te komen, al gantsch wegh-genomen, doch wert ten lesten van ons volck miraculeuslyck onder ’t water van de gront noch opgehaelt, God zij lof ende dank.’

Ook is daar toen op de 24e maart het schip de Soutelande verloren gegaan. De bemanning en de gedeeltelijk geredde goederen werden verdeeld over de andere schepen. Veertien dagen verblijven ze op die eilanden.

De 9e april gaat de snelle ‘Fluyt’, een bevoorradingsschip, terug naar Holland en de vloot zeilt zuidwaarts tot bij de zandplaten voor de kust van Brazilië, om zo met een grote bocht, maar met gunstige wind, naar Cabe de Bona Esperance - Kaap de Goede Hoop - te varen, een lange reis, waarop niets te beleven valt met weinig waterrantsoen. Op 9 mei werd er een briefje bevestigd aan de kajuitdeur op het schip Dergoes, ‘Aldien ghij ons geen meer water wilt geven ghelijck als wij nu hebben, soo sal ik maecken dat ghij alle sult sterven.’ De kwartiermaker Harmen Jacobsen wordt als dader erkend en veroordeeld. ‘Op den 16 May, alwaer sij hem eenige ijseren koegels aen de beenen bonden ende hebben hem alsoo levendigh Neptuno in den hals geworpen.’

Op 24 mei, Sint-Jansdag, komen ze op Cabo de Bona Esperance aan. ‘Alwaer sich twee bergen van groote hooghte vertonen, te weten de Tafelbergh ende den Leeuwenbergh: den Tafelbergh heeft daeromme sijn naem, omdat hij boven heel plat is ghelijck een Tafel.’ Daar aangekomen zetten ze tenten op, waar ze inlanders ontmoeten, die geluiden maken als het ‘Klocken der Honderen’ Dit volck dat hier woont is seer ongheregelt ende heel beestich van leven, eten alle dingen raeuw, so wel vleesch als vis, darmen ende vellen van beesten soose gheslacht zijn, loopen gantsch naeckt soo wel Vrouwen als Mans, hebbende een kleijn velleken van een handt groot voor de schamelheydt’. Ternauwernood konden Seyger en zijn vrouw Anneke ontkomen uit de handen van de negers, om niet opgegeten te worden. Op dezelfde plaats werd in zee een monster met zeven hoofden gezien, zo groot als een walvis, dat zelfs ervaren zeelieden nog nooit hadden gezien.

Men vertrekt op 5 juni pal oost naar de kust van Australië, om vandaar noord te varen naar Batavia, een langere tocht, maar minder gevaarlijk dan de westkust van Afrika en Madagaskar (stromingen en Portugezen). Op 9 juni worden ze door vier Spaanse galjoenen achtervolgd, maar kunnen deze gelukkig voor blijven. 

Op de Hollandia overlijdt op 18 augustus een bemanningslid. Hij wordt drie keer rond de mast gedragen en aan stuurboord onder kanongebulder over boord gezet; zijn kleren en andere bezittingen worden een dag later aan de meestbiedende verkocht.

Op 27 augustus bereiken ze Zuydland, op de plaats waar kort daarvoor, op 4 juni, de Batavia op de kliffen is gestrand met verschrikkelijke gevolgen. Een onvoorstelbare moordpartij tussen de gestrande Hollanders onderling volgt hierop; van de 250 opvarenden is de helft vermoord. Seyger van Rechteren heeft dit direct na aankomst in de stad Batavia uit de mond van zijn collega-dominee Gijsbert Bastiaensz van het schip Batavia gehoord: ‘Icke hebbe de Predicant selver op Batavia gesproken, die zijn huysvrouw ende kinderen aldaer van ons eygen volck vermoort waren op een dochter nae, die noch van de schelmen met kracht ende geweld ghebruykt wert’.

Zeventig mijlen ten zuiden van Batavia wordt een tweede overledene overboord gezet, waarna ze op 23 september 1629, na 9 maanden min 2 dagen, in Batavia aankomen. Bij aankomst blijkt juist, dat twee dagen eerder de eerste gouverneur van Oost-Indië, Jan Pieterszoon Coen is overleden ‘zittende ’s avonds noch kloeck ende gesont aan tafel ende storf ’s nachts tusschen 12 ende een uyre ende na het lijck eenighe dagen boven de aerden hadde gestaen wert hij op Batavia seer eerlyck in het Stadthuys begraven’.

Hun admiraal, Jacob Speckx wordt de nieuwe gouverneur-generaal van geheel India. Ook werd op het moment van aankomst de stad Batavia aan de landzijde belegerd door 120 000 Javanen, die stand houden tot 1 november, waarbij honderden mensen zijn omgekomen. ‘Den vijant heeft alle dooden, die int leger storven oftegheschooten werden, inde Riviere gheworpen ende dezelve met palen toe-gheheyt, om dat de lichamen niet afdrijven en souden, Maer dat het water dat van boven afquam soude door sodanigen middel van alle de doode Asen met een pestiale stanck vergiftight werden, waer over d‘onse inde Stadt genootsaekt waren, verscheyden Putten te graven om water te bekomen.’

In deze donkere periode een extra zwarte dag voor Seyger van Rechteren en Anneke Heimans. ‘Den 5 October is mijn Soontjen Herman van Rechteren in de Here gherust, naer dat hij 10 dagen hadde ghelegen aen ’t roode Mihsoen, out sijnde 2 Jaer ende is aldaer begraven, waer over ick ten deele verblijt was, sorgende dat hy noch van een koegel souden weghgenomen geworden hebben.’  In de nacht van 4 december 1629 wordt hij ontboden bij twee jongens van 16 à 17 jaar, die daags te voren sodomiterie hadden bedreven ‘om ze tot berouw te vermaenen en hun oneijndelycke barmhartigheden Godts voor ogen te houden,’ voordat ze de volgende morgen elk in een zak in de rivier geworpen zouden worden.

Op 25 december 1629 scheept hij met vrouw en dochter in op het schip Den Briel voor een reis naar Banda, waar ze ruim een jaar, tot 4 mei 1631 verblijven. Gedetailleerd verhaalt hij over de natuur, rituelen, handel en het eten. Ook tekent hij nauwkeurig op wat hij hoort van andere zeelieden over China en Formosa. Ook is het natuurgeweld niet aan hen voorbijgegaan: twee keer overleeft hij een aardbeving.

De tweede, in april 1631, ging gepaard met vloedgolven, waardoor bamboehuizen wegspoelden en het land bezaaid werd met een ongelofelijke hoeveelheid vissen. Een echtpaar, waarmee hij op dat moment wijn drinkt, wordt in de zee gespoeld, waarvan alleen de vrouw het er levend afbrengt. Ook heeft hij daar oog in oog gestaan met een windhoos.

Op 4 mei 1631 vertrekt hij weer met vrouw en kind naar Batavia om zieken te troosten en te vermanen, die met ongeveer 100 personen op een schip liggen, dat dient als ziekenhuis.

Op 20 augustus werd Geertruyt geboren, maar helaas: ’Den 26 is het selve kindt in de Heere gerust.’ 

Vrijwel zeker is hij alleen scheep gegaan naar Macassar om Portugese gevangenen uit te wisselen. Het is dan 12 maart 1632. Hij komt op 20 mei 1632 in Batavia aan, ‘ende ginck als doen weder bij mijn huysvrouw aen landt woonen, dien ick noch kloeck en ghesont hebbe gevonden. God zij lof en danck voor sijne groote genade.’

Op 4 december 1632 vertrekken ze, ruim drie jaar na aankomst, vanuit Batavia naar Patria (Holland) op het schip de Nieuwe Hoorn: ‘Primo January 1633 waren omtrent 100 mylen buyten de Strate Sunda met een goeden wint.’ In februari ontstaat er onenigheid over de drank op het schip, die uitmondt in dronkenschap en steekpartijen. Met zes schepen doen ze op 13 maart Robbeneiland (Zuid Afrika) aan en vangen een paar pinguïns, die erg tranig smaken. Regelmatig is er onrust en muiterij aan boord. Seyger houdt regelmatig de positie en de weersgesteldheid bij. De 14e april doen ze St. Helena aan en de 5e mei de Hemelvaarteilanden en wel op Hemelvaartsdag. 

Er wordt besloten niet door het Kanaal maar om Ierland en Schotland te varen. Met een nijpend tekort aan voedsel en drinken worden de laatste mijlen afgelegd. Het eten bestond alleen uit stinkend vlees, dat tijdens het koken zo’n geur verspreidde, dat men nergens op het schip kon vertoeven van de stank. Ook het water moest door een doek gegoten worden vanwege de duizenden wormen die erin zaten.

Op 2 juni waren ze op ‘59º 18’N Br en 31º 56’ ‘Lanckte. Het was hier altijd dagh en was ’s nachts te twaalf ueren nog wel so licht, dat men konde sien te lesen ende te schrijven’.

Op 12 Juni 1633 komen ze voor Texel aan, maar tot overmaat van ramp zet de loods hun schip op een zandbank. Hoewel het eerst nog windstil is, steekt er die nacht een storm op en wordt hij met vrouw en dochter door een loodsboot aan wal gezet, ‘dat de lootsman zelven, zijnde een oudt bedaegt man, de welcke wel 50 jaren bij de zee gevaren hadde, gantselijk geen hope en hadde dat wij levendig aen landt souden ghekomen hebben.’

Aan de wal verklaart Seyger ‘dat bij haer leven gheen Schip gesien hadden, dat soo tegen alle hope yemandt van so peryckel noch behouden was binnen ghekomen. Hebbende alsoo met myn huysvrouwe ende een Dochtertjen de Voyagie volbracht, naer dat ick vier Jaren , ses Maenden ende vijf Daghen uyt het Vaderlandt ende in veel peryckel ghweest hadde. God zij lof, prijs ende eere, van eeuwigheidt tot eeuwigheidt. Amen.’

Seyger van Rechteren en zijn vrouw Anneke Heimans doen in datzelfde jaar nog belijdenis in Zwolle. Hij wordt in Zwolle Provoost of Geweldige Generaal van de Landen van Overijssel (hoofd van het gevangeniswezen). Ze gaan wonen in de Sassenstraat 5. Hij overlijdt in 1646 en wordt begraven in de Grote Kerk te Zwolle.

Dit verhaal, van de hand van Ab Goutbeek, is eerder gepubliceerd in “Rondom Dalfsen” (een uitgave van de Historische Kring Dalfsen), nr. 44 oktober 2002

Reacties