Geplaatst door: 
Verhaal

Herinneringen uit de tijd toen scouting nog padvinderij heette

Geboren (1939) en deels ook getogen in Dalfsen (tot circa 1965) heb ik al jaren enorm veel plezier van mijn abonnement op Rondom Dalfsen. Vooral foto’s van gebeurtenissen waarbij ik indertijd min of meer betrokken was, of waarop Dalfsenaren staan, halen vaak jeugdherinneringen naar boven die heel diep weggezakt waren, maar kennelijk nooit helemaal verdwenen.

Toen mij gevraagd werd naar herinneringen uit mijn tijd van de padvinderij vond ik tegen mijn verwachting in zowaar nog vier  fotootjes, twee uit mijn welpentijd, direct genomen na de oorlog tot circa 1950 en twee uit de verkennersperiode, ergens tussen 1950 en 1954.

 

 

Vlak na de oorlog kwam ik bij de welpen die op zaterdagmiddag bij elkaar kwamen in de bosjes bij boer Van Lenthe op het “Nierveer”.

Hoe toen de leiding precies in elkaar zat weet ik niet meer, maar die berustte bij oudere jongens, ik denk de verkenners. En er waren ook oudere meisjes bij die we Akela noemden.

De algehele leiding berustte bij Freule de Vidal de Saint Germain die toen op huize de Vidal woonde en in de volksmond “Freule de Vidal “ werd genoemd. We moesten haar aanspreken met een wat moeilijke padvindersnaam die ik niet meer weet, maar ze stelde een correcte manier van aanspreken wel op hoge prijs, evenals het op correcte padvinderswijze groeten. Dat betekende beleefd met twee  vingers aan je groene petje tikken en haar met opgeheven hoofd aankijken. Ze vond ook dat je dat moest doen als je haar door de week gewoon in het dorp tegen kwam. Dus dan ook aan je mutsje of je blote kuifje tikken en dat leidde dan nog wel eens tot gegniffel van andere kinderen.

 

 

Maar net doen alsof je haar niet zag, om niet te hoeven groeten, werd door haar feilloos opgemerkt en je werd daar dan, al of niet in bijzijn van die gniffelende kinderen, op berispende toon over onderhouden.

We gingen toen ook kamperen op de boerderij van Snel ergens in de buurt van Heino. Zoals te zien is op de foto ’s sliepen we in volgens tegenwoordige begrippen heel erg kleine tentjes. Kamperen was toen lang nog niet zo gebruikelijk als in latere jaren en ik herinner me nog wel, dat ik in het mudvolle tentje niet echt bang was in het donker. Maar de tentjes lieten bij het begin van een regenbui, als het hele tentdoek nog niet goed nat was, altijd wat vocht door en dat werd voorkomen doordat de leiding er met een enorme plens een emmer water op gooide. Dat onverwachts een angstaanjagend geluid maakte, dat we van schrik een poosje vergaten “te heibelen”.

 

 

“Heibelen” is van alle tijden, weet ik nu van mijn kinderen en kleinkinderen. Ook toen al hielden we, ondanks vaak herhaald bevel om te gaan slapen, elkaar wakker met rare geluidjes en malle praatjes. Want dat “geheibel” was (en is) ondanks het strenge gebod om “nu eindelijk eens stil te zijn” een belangrijk onderdeel van de kampeerpret.

Ik herinner me, dat we in Heino ook wel eens in stro op de “ hilde ” boven de varkens geslapen hebben. Dat gaf nog extra lol, niet alleen omdat de leiding vergeefse pogingen deed ons stil te krijgen, maar ook de kennelijk door alle herrie wat gestreste varkens volop meededen met het maken van rare geluiden. De boer had kennelijk zo schoon genoeg van al die herrie, dat hij dreigde met “en noe de kopp’n dichte anders za’k oe ollemoale noar buut’n schöpp’n ”.

Het kamperen duurde geloof ik van zaterdagmiddag tot maandagmorgen en in elk geval herinner ik me dat iedereen heel vies en vermoeid, maar ook zeer voldaan, naar huis ging.

Van welp met een groen petje zijn we op een of andere manier bevorderd tot verkenners met een hoed. En zo zijn we ook eens “op kamp” geweest in Hessum, samen met groepen uit Coevorden en Emmen.

De toenmalige burgemeester Van Bruggen kwam uit Emmen en diens zoon was daar kennelijk nauw betrokken bij de padvinderij. Hij vormde met studievrienden een groep leiders die allemaal wat ouder waren dan wij. De groep heette “De Honden” en stond zelf weer onder leiding van een heuse “hopman”.

 

 

Het ging er echt aan toe op de toen gebruikelijke padvinderswijze. Kennelijk waren bij die leiding zeer creatieve en fantasierijke geesten. We kookten onder leiding van de oudere jongens op enorm walmende en rokende houtvuren. Daar ging op zich al een hoop tijd inzitten en vooral het schoonmaken van de pannen was een hele klus. Het resultaat was geloof ik meestal nogal twijfelachtig.

Verder zwommen we in de Vecht, schuin tegenover de locatie die tegenwoordig “Mooirivier” wordt genoemd. Toen heette het daar nog gewoon “Bie de Stuwe”. We vingen en aten vis(jes) en mosselen en deden allerlei spelletjes.

Op echt originele padvindersmanier was elke dag gewijd aan een bekende figuur uit de toenmalige jongensliteratuur over zeerovers, indianen en cowboys. Elke dag waren we dan allemaal in daarbij passend tenue gestoken en werden spelletjes gedaan. Op de dag gewijd aan Ivanhoe hielden we, op elkaars rug zittend, riddertoernooien en er werd zelfs in de bij het dagonderwerp passende “ stijl ” gesproken. Op de dag die in het teken stond van indianenheld Winnetou werd in de gesprekken telkens “oef.. oef…” gezegd. En heel spannend was het, dat die nacht de hopman ons wekte met de vraag waar de kleinste deelnemer Harrie Frijling, was. Die bleek inderdaad niet meer in onze tent te liggen en was volgens de hopman kennelijk stiekem door vijandelijke indianen ontvoerd. In het donkere bos moesten we toen onder het roepen van “ Oef…Wrakie……Wrakie …..Oef….” een eng spoor van bloederige verbandlappen volgen.

Iedereen wist heus dat het doorgestoken kaart was en met medeweten van de hopman hier een deel van de Honden achter moest zitten. Maar voor alle zekerheid probeerde iedereen toch zo min mogelijk aan de buitenkant van de groep te lopen. Uiteindelijk zagen we bij het angstaanjagende schijnsel van een (Bengaals) kampvuurtje Harrie vastgebonden aan een boom met daaromheen dansende indianen.

Door enorm te schreeuwen konden we de vijandelijke indianen op de vlucht jagen. En zo eindigde alles die dag toch nog weer goed. Ik hoop dat mijn herinneringen u een beetje een beeld hebben gegeven hoe het destijds toeging bij de padvinderij.

 

Dit verhaal, dat is geschreven door Henk Dwars, is eerder gepubliceerd in het tijdschrift Rondom Dalfsen (nr. 72 december 2011), uitgave van de Historische Kring Dalfsen.

Reacties