Geplaatst door: 
Verhaal

Jacob Peters, in de 18e eeuw boer op De Hoeve

Auteur: 
Gerrie Bongers-Brouwer

Afgelopen jaar kwam ik in contact met de heer G.A. Hutten, schrijver van het boek “Jonker op de Heerenbrink onder Lierderholthuis”. De heer Hutten maakt in dit zeer informatieve boek de briefwisseling tussen de baronnen Hendrik Arent van  Oldenneel en Alexander W.D. van Hugenpoth in de periode 1734-1773 niet alleen toegankelijk, maar geeft ook veel uitleg en toelichting. Toen ik de heer Hutten vertelde dat Jacob Peters op De Hoeve, die in zijn boek meerdere keren genoemd wordt, mijn voorvader is, -twee dochters staan in mijn kwartierstaat- ontving ik tot mijn verrassing enkele kopieën van hem uit het archief Huis Aerdt, die betrekking hebben op de boerderij, de boer Jacob Peters en de verschillende leenmannen/-vrouwen. Ik heb geprobeerd om alles op een rijtje te zetten.

De boerderij en zijn leenman

De Hoeve, de boerderij waarover dit verhaal gaat, stond achterin Emmen, Marshoek op de grens met Zwolle. Aan de Zwolse kant van die grens stond een boerderij De Tempel genaamd. De plek van De Tempel is nog steeds bewoond.

De grens Zwolle-Dalfsen liep tussen De Tempel en De Hoeve. De Hoeve staat nog vermeld op de kadastrale kaart van Dalfsen, Vegterweerd 1832, maar is in de jaren daarna waarschijnlijk afgebroken, want op een kaart van 1851 is nog wel het huisperceel en ook het pad ernaar toe herkenbaar, maar de boerderij zelf ontbreekt. (Sinds 1995 staat er op het land wat Jacob Peters ooit bewerkte, zij het niet exact op dezelfde plek, weer een boerderij, genaamd ‘In de Hoeven’ van de familie Van der Beeke).

Het grootste deel van het land van De Hoeve ligt in de gemeente Dalfsen, maar een paar stukken land, genaamd het Gerstekampje en de Strenge, liggen over de gemeentegrens met Zwolle, in Berkum. De Hoeve behoorde ooit tot de leengoederen van de bisschop van Utrecht en wordt in die hoedanigheid al aan het eind van de veertiende eeuw genoemd. Maar tijdens het leven van Jacob Peters is het eigendom van de provincie Overijssel, die er in 1719, na het overlijden van hun leenman Cornelis Simon baron van Doetinchem tot Rande, diens weduwe Hendrietta Arnolda Gansneb genaamd Tengnagel, mee beleent voor haar “onmondige” (= minderjarige) kinderen. Mevrouw van Doetinchem woont in Zwolle, op de hoek van de Vispoortenplas en de Waterstraat, samen met haar zuster, mevrouw Van Oldenneel, ook weduwe, en moeder van Hendrik Arent, de briefschrijver. De provincie is eigenaar van het onroerend goed en de leenman, in dit geval de leenvrouw, beschikt over het zakelijk gebruik en kan dus de boerderij verpachten.

Jacob de boer

Op 25 mei van het jaar 1726 gaat Jacob Peters, boer op De Hoeve, naar Zwolle.

Lopend over de dijk richting Berkum denkt hij misschien wel terug aan zijn jeugd op de Horst in Haarst, aan de andere kant van de Vechtbrug waar hij in 1685 geboren werd als zoon van Peter Everts en Lysebeth Egberts en waar hij ook opgroeide. De Horst en De Hoeve hebben een paar dingen gemeen: Het zijn allebei boerderijen met een lange geschiedenis. De Horst behoorde vroeger tot de goederen van het St. Agnietenklooster in Berkum en De Hoeve was heel vroeger eigendom van de bisschop van Utrecht. Wat de boerderijen ook gemeen hebben is dat ze afgelegen liggen, ver van de stad.

Jacob is weduwnaar, zijn vrouw Willempje Derks is overleden. Ze hebben geen kinderen gehad, want in het testament dat zij laten maken in november 1725 als Willempje “wel seer swak van lichaam is, dog bij goede verstande” begeren ze dat na de dood van de langstlevende hun bezit verdeeld zal worden tussen hun beider families. Nu gaat Jacob hertrouwen met Geessien, dochter van Jan Harms Dijck en Geertien Gerrijds uit Emmen. Hij is boer op De Hoeve en gaat bij mevrouw Van Doetinchem, de leenvrouw, het pachtcontract tekenen voor nog acht morgen land, de ‘Achterste Hoeve’. Ongemerkt is Jacob in Zwolle, dan nog een stadje van minder dan 12.000 inwoners. Hij loopt rechtstreeks naar de Vispoortenplas, waar hij even later wordt ontvangen door mevrouw, die het pachtcontract al klaar heeft liggen. Jacob doet zijn best om netjes zijn naam te tekenen onder die van mevrouw Van Doetinchem. Als hij weer buiten staat, schiet hij zijn klompen aan en zet er flink de pas in, naar De Hoeve waar nog veel voorjaarswerk wacht.

De ‘Achterste Hoeve’

De‘Achterste Hoeve’ is wat laag gelegen land, er is een uitwateringssluisje en na Jacobs dood wordt er gesproken over het plaatsen van een “moleken” om het water af te voeren. Anno 2008 is de plaats waar ooit de boerderij heeft gestaan nog te herkennen als het hoogste gedeelte van het omliggende land. De achterliggende jaren is aan pacht voor de ‘Achterste Hoeve’ van acht morgen (1 sallandse morgen is 1,23 ha) 68 goudguldens per jaar betaald met daarnaast “een vet lam op alle Paschen, drie vette ganzen, vier paar hoenders en een dubbele slag meyboter, alle op St. Martini” (= 11 november). Kippen gaan nooit per stuk, maar altijd per paar! Op De Hoeve hebben ze dus niet alleen koeien, maar ook schapen, ganzen en kippen.

Als Jacob Peters het in 1726, in eerste instantie voor vier jaar, in gebruik krijgt, wordt de pacht opgetrokken tot 80 Caroli gulden per jaar; de pacht in natura - wat eigenlijk nog een overblijfsel is uit de feodale tijd - wordt daarop aangepast, er hoeven geen lammeren, ganzen of hoenders meer geleverd te worden, alleen nog “dri halve aghtendeel Boter”, in de komende vier jaar. Jacob kan het land op ‘St. Petri’ (= 22 febr.) in gebruik nemen en de pacht moet betaald worden op ‘St.Marten’ (= 11 nov.), halverwege het pachtjaar. De verponding, contributie (= belastingen) en “wat naame de Heerenlasten ook mogen wesen” zullen tot last van de pachter zijn en mogen niet gekort worden op het pachtgeld.

Er is voorafgaand aan de overeenkomst gesproken over het land en de kwaliteit ervan, want in het contract wordt opgenomen hoe Jacob het mag gebruiken en proberen te verbeteren. Het mag één keer per jaar gehooid worden, Jacob moet naar behoren de sloten schoonmaken en de afrastering onderhouden. Hij mag de vier morgen waar erg veel russen staan, scheuren en opnieuw inzaaien. Maar niet direct, pas in het tweede of derde jaar. Door het ploegen en opnieuw inzaaien wordt de grond blijkbaar eerst slechter, want hij moet zorgen dat het land er niet door “bedorven”, maar “door bemesting weer goed gemaakt zal worden”. De laatste jaren zal het geheel geweid of gehooid moeten worden. Jacob houdt dit land levenslang.

Het gezin van Jacob en Geessien

Jacob en Geessien krijgen vijf kinderen, drie dochters en twee zonen, die ze laten dopen in Dalfsen, uitgezonderd Elisabeth; haar doop vinden we in Zwolle. De reden hiervoor is niet duidelijk. Jan, de oudste zoon, geboren in 1728, trouwt in 1758 met Aleida Jansen Bouwmeester uit Herfte. Hij zal zijn vader als boer en pachter opvolgen.

Dochter Elisabeth, geboren in 1730, trouwt in 1756 met Derk Herms Visscher uit Ankum, zoon van Harmen Derks en Henrickien Geurts. Zij blijven in Emmen wonen. We vinden hen op de boerderij “to Westerhoeve”(= Westerhave), waarmee Derk in 1750 beleend wordt na opdracht door A.W. van Hugenpoth. (Derk koopt dus de boerderij van baron Van Hugenpoth met verplichtingen aan de leenheer.) Het nakomertje Geertje, geboren in 1743, trouwt in 1768 met Hendrik Willem Ophof, een Vechtschipper. Zij wonen enkele jaren in Dalfsen en vertrekken dan naar Zwolle. In 1778 koopt Hendrik Willem Ophof een huis in Zwolle op De Dijk (nu  Thorbeckegracht), in de Bredehoek.

Na een aantal zachte winters is de winter van 1739-1740 koud, erg koud. Een winter waar nog lang over gesproken wordt. Geessien zal zich gelukkig hebben geprezen, dat de kinderen niet zo heel klein meer zijn met deze kou. Jan, de oudste is elf en kan al een heleboel helpen. Een Sallands boerenbedrijf is, zeker in de 18e eeuw, een echt gezinsbedrijf, waar de boerin en ook de opgroeiende kinderen volop meewerken met het verzorgen van de koeien, kalveren, varkens en kippen. Hun leefplek zal bij het vee geweest zijn, waar ook gekookt wordt en waar ze ’s avonds rond het vuur zitten, Geessien achter het spinnewiel of naaiend en Jacob bezig met repareren van gereedschap, of al een pijp rokend misschien? En na een laatste bord brij bijtijds onder de wol. Is er door de vroege inval van deze winter voer genoeg op De Hoeve en is er voldoende water beschikbaar? Is de waterput nog dooi, of moeten ze misschien het water uit een in de Vecht gehakt wak halen? Het zal ook stiller geweest zijn dan gewoonlijk; vanaf de Vecht is alleen soms gekraak van ijs hoorbaar, van scheepvaart is geen sprake meer. Over de directe gevolgen van de strenge winter voor de bewoners van de Hoeve heb ik niets gelezen in de brieven, maar je hebt er denk ik niet veel fantasie voor nodig om iets te begrijpen van het grote ongemak dat zo’n langdurige kou, die al begint in oktober, voor de boeren in die tijd moet hebben betekend. Voor hooi, wat in normale tijden zo’n vijf gulden per 1.000 pond kost, wordt nu ƒ125,- betaald. Volgens de verhalen die de ronde doen wordt door sommige wanhopige boeren het stro uit de bedsteden aan de koeien gevoerd, net als het dakstro. Veel beesten overleven de winter niet, ten gevolge van de kou of de honger. Op de Veluwe en in de Achterhoek schijnen wolven steeds dichterbij de boerderijen te komen en brutaler te worden…

Hendrik Arent van Oldenneel schrijft op 3 maart 1740 aan zijn aangetrouwde neef Alexander van Hugenpoth over een uitje met zijn aanstaande vrouw: “De nagt tusschen den 24 en 25 feb: hebben wij aan het huys van de vrouw van de Vellener (= een havezathe onder Raalte) gedanst, kan seggen dat ik de gehele nagt niet warm ben geweest, al het eten bevroor op de tafel niet tegenstaande de gehele nagt seer sterk gestookt wierd, en de wijn in een glas bevroor tot op den bodem toe.” Hij voegt er nog aan toe dat deze vorst voor het graan heel schadelijk zal blijken te zijn. Over wat deze winter voor ‘zijn’ boeren inhoudt, geen woord!

Alexander W. D. van Hugenpoth, de nieuwe leenman/pachtheer

In 1745 krijgt Jacob Peters een nieuwe pachtheer. De kinderen van mevrouw Van Doetinchem zijn meerderjarig geworden en haar dochter Joanna Louïsa krijgt De Hoeve in leen. Deze Joanna is gehuwd met Alexander W. D. van Hugenpoth en woont op Huis Aerdt, gelegen tussen Aerdt en Herwen aan de dijk langs de Rijn. De afstand Dalfsen-Huis Aerdt is voor contact tussen eigenaar en pachter erg groot, zeker begin 18e eeuw als een brief al gauw een week onderweg is. Hendrik Arent van Oldenneel, neef van voornoemde Joanna Louïsa en wonend in Zwolle en later, na zijn huwelijk in 1740 met zijn achternicht Margaretha Jorsina Maria Judoca van Oldenneel, op de Heerenbrink in Lierderholthuis, treedt op als zaakwaarnemer en rentmeester.

Veepest

Het leven van Jacob en zijn gezin speelt zich af in een niet zo florissante periode voor de Overijsselse boeren. De 18e eeuw wordt wel de eeuw van de veepest genoemd. Deze virusziekte, die in golven komt en gaat, richt bij elke ronde een ware slachting aan onder het vee. De eerste epidemie woedt van 1713 tot 1720; in 1744 begint de tweede ziektegolf, die zal duren tot ongeveer 1765. En na een korte adempauze krijgen de boeren voor een derde periode - van 1768 tot 1786 - te maken met ziekte en dood van het vee.

De eerste jaren op De Hoeve zijn voor Jacob en Geessien als boer voorspoedig geweest, ze hebben een mooie veestapel. Maar dat verandert in 1744, dan krijgt Jacob, net als zoveel andere boeren rond Zwolle, met de ziekte te maken. Oorzaak van veel zorg en schade voor de boer, maar ook voor de eigenaar van de boerderij.

Als er geen inkomsten zijn, kan er geen pacht worden betaald of wordt de betaling ervan in ieder geval uitgesteld. Soms zien boeren het niet meer zitten en laten de boerderij in de steek, waar dan meestal ook niet een, twee, drie een andere pachter voor is te vinden. Boerenknechten die door de dood van het vee overbodig worden, nemen soms in arren moede dienst in het leger. Boerendienstboden zoeken en vinden soms werk door als dienstbode naar Holland, bv. Amsterdam of Haarlem te trekken.

Gemopper vanuit Huis Aerdt

Van Oldenneels' moeder in Zwolle is goed op de hoogte van de toestand bij de boeren. Het lijkt me heel wel mogelijk dat zij, samen met haar zuster of zoon, wel eens mee geweest is naar De Hoeve en de mensen daar persoonlijk kent, want als haar nichtje, barones Van Hugenpoth uit Aerdt, in een brief aan haar tante klaagt over het weinige geld dat binnenkomt, krijgt ze per omgaande brief van 25 maart 1745 de wind van voren en maakt haar tante haar duidelijk dat de boeren het zwaar hebben. Ze schrijft het al moeilijk genoeg te vinden de mensen steeds tot betalen te moeten manen, “hetgeen mij genoeg verdriet, en het sal nog erger worden als UHWgb: denken kan, de Provincie Overijssel sal de eenigste niet wesen die in die ellendige staat sal geraaken, door de sterfte van het vee, als Ick de eer sal hebben van UHWgb: hier te sien, sal UHWgb: droefheijd genoeg horen.” En verder: “Jacob op de Hoeve heeft 2 melkte koien over gehouden en 3 jonge beesten van die schoone stael met vee, nu leit al sijn welvaert in de gront.” (De dode dieren werden allemaal begraven!)

Dan gaat het een paar jaar goed rond Zwolle en Jacob kan vanuit Emmen weer vee leveren aan zijn landheer op Huis Aerdt. Als er in maart 1750 een pauwenhaan -de hen is helaas gestorven- en een os naar Aerdt moeten, gaan er twee mannen mee, want de os is niet zo mak dat één man de klus kan klaren. De mannen zeggen te vrezen “werk genoeg te sullen hebben om in twee dagen over te komen, omdat de beesten van de stal komende, te stijf zijn” om vlot te lopen. Van Dalfsen naar Huis Aerdt voorbij Zevenaar en dat lopend in twee dagen! Wie heeft bij aankomst de meeste spierpijn, de os of de begeleidende mannen en hoe is de pauw met zijn mooie staart overgekomen?

Vervoersverbod

In 1750 steekt de veepest opnieuw de kop op. Zeker voor Jacob en zijn gezin, die al een keer een groot deel van de veestapel aan de pest zijn kwijtgeraakt, een spannende tijd. In Berkum, dus dichtbij, heerst de ziekte alweer. In 1751 gaat de overdracht van twee ossen uit Dalfsen naar Aerdt niet door vanwege die veepest, want de in- en uitvoer van runderen in de provincie is tussen 1 april en 18 mei wel toegestaan, maar niet voor dieren die ziek zijn geweest. Voor slachtrijpe ossen boven de vier jaar wordt een uitzondering gemaakt, maar koeien mogen de provinciegrens niet over, op straffe van 500 gulden! Dit alles volgens een “placaat in dato den 20 Meert 1751 van de Staten deser Provincie, waarbij den in- en uytvoer van beesten van den 1 April tot den 18 Mey gepermitteerd word, dog verboden op een boete van 500 gls. enige gebeterde beesten, uytgenomen slagtbare ossen boven de 4 jaar oud, uyt dese Provincie na elders te drijven.” Jacob krijgt bericht dat hij de ossen niet hoeft vast te houden voor Van Hugenpoth, hij mag ze wel aan iemand anders verkopen.

Uitgesteld onderhoud

Volgens het Vuurstedenregister van 1751 heeft De Hoeve één vuurstede waar belasting over moet worden betaald. Als ‘oude eigenaar’ wordt genoemd Heer Van Doetinchem en als ‘tegenwoordige eigenaar’ Heer Van Oldenneel. Dit klopt niet, maar het geeft wel aan dat de zaakwaarnemer optreedt als ging het om zijn eigen bezit. Maar als in het voorjaar van 1751 Jacob vindt dat de boerderij aan onderhoud toe is, wil Van Oldenneel daar liever niet in zijn eentje over beslissen, hij wil het eerst eens voorleggen aan Van Hugenpoth. Hij schrijft: “ik wenschte dat UHwgb. selfs sag en ordonneerde hoe het gemaakt wilde hebben.” Jacob, als boer en bewoner van De Hoeve wil graag dat de voor een deel vergane houten fundamenten aan een kant van het huis vervangen worden door gemetselde. Voorlopig gebeurt er echter niets. In de volgende winter begint Jacob aan te dringen op herstel, want “sonder merkelijke schade kan dit niet uytgestelt worden.” De stenen voor de reparatie (Bentheimer zandsteen) moeten per boot uit Rijssen komen en hij denkt dat het slim is om niet alleen de stenen voor de reparatie aan De Hoeve, maar gelijktijdig ook de stenen voor de reparatie van een andere boerderij (‘Misvoorde’ bij Ommen) te regelen, want “de vragt van de steen, terwijl die verre gehaalt moet worden, sullen de schippers als minder steen gehaalt worden meer vragt per duysent willen hebben”. De boerderij ligt achter de dijk langs de Vecht, vervoer over het water ligt dus voor de hand.

De Hoeve is in de winter met een rijtuig niet te bereiken. Van Oldenneel schrijft eind februari: “So ras den weg na de Hoeve enigtsints practicabel is sal ik daar na toe rijden en een timmerman daar laten komen, om de nodige reparatie op te nemen en UHwgb. (=Van Hugenpoth) er dan kennis van te geven.” Maar Jacob hoort vervolgens niets en is bang dat er ook deze zomer geen timmerman zal komen. Eind mei gaat hij zelf maar eens naar de Heerenbrink in Lierderholthuis om te horen wat de plannen i.v.m. de reparatie zijn. Het antwoord is duidelijk: daar moet eerst nog mee gewacht worden. (De veepest heeft voor de adel ook financiële gevolgen en Van Hugenpoth heeft dure, opgroeiende kinderen.) Jacob antwoordt “dat een gedeelte nootsakelijk geschieden moeste tot voorkoming van grote schade, dog dat het dangereuste niet veel soude kosten, en hij wel een gedeelte daarvan soude uytschieten.” Jacob wil de kosten van reparatie dus voor een deel eerst zelf betalen. Van Oldenneel zegt toe dat als het te lang duurt eer Van Hugenpoth zelf komt kijken, hij naar De Hoeve zal komen om het een en ander in ogenschouw te nemen. Maar hij hoopt dat Van Hugenpoth zelf zal komen om te beslissen wat er moet gebeuren. Maar weer gaat een jaar voorbij waarin niet gerepareerd wordt. Er zijn naast het aftakelende gebouw intussen ook weer andere zorgen. Op de Berkumer Mars, aan de overkant van de Vecht, heerst weer veepest en slechts weinig koeien overleven het. Van de 93 koeien, die daar ziek worden, genezen er maar negen.

Ook op De Hoeve krijgen ze weer met de ziekte te maken, van tien ziek geworden koeien sterven er vier. De guste koeien en jongvee zijn nog gezond, maar Jacob is er niet gerust op, want ze hebben wel bij de gestorven beesten gelopen. In juli 1753 wordt nog eens voorzichtig aangedrongen op de reparatie die toch wel in augustus moet plaats vinden, anders worden de dagen te kort…. De grote opknapbeurt moet nog even wachten, maar “het dangereuste” wordt blijkbaar verholpen want er wordt betaald voor materialen gebruikt voor De Hoeve: kalk, steen, hout en spijkers.

Jacob en zijn zoon willen graag een hoekje land ‘ombouwen’, maar daar is toestemming voor nodig van baron Van Hugenpoth, die het verzoek in eerste  instantie afwijst. In de herfst probeert Jacob het opnieuw om hiervoor toestemming te krijgen. De tijd begint ook te dringen vindt hij, want het is intussen, blijkt uit een brief, wel november.

Ziekte in het voorhuis

In de herfst van 1753 is Jacob Peters ziek. Van Oldenneel schrijft naar Van Hugenpoth dat hij bang is dat “het op een teering sal uytdraaien”. In plaats van Jacob gaat Jacob’s zoon Jan in november naar de Heerenbrink in Lierderholthuis om de pacht te betalen.

De veepest waart weer rond, nu in Herfte, "sijnde maar 1 groot quartier van De Hoeve". De stemming op De Hoeve zal deze herfst bedrukt geweest zijn, de dreiging van de veepest is constant aanwezig en vader Jacob blijft ziekelijk. Tot overmaat van ramp volgen in de winter enkele dijkdoorbraken, ook de dijk langs de Vecht in Emmen begeeft het op een paar plekken. ‘k Heb niet gevonden dat de familie van De Hoeve met hun dieren moet evacueren, wel dat het nog de vraag is of het hooi in de hooiberg niet ‘bedorven’ en dus onbruikbaar zal zijn door het water.

1754 is een goed jaar. In september gaat Jan Jacobs Dijk, zoon van Jacob Peters, naar Lierderholthuis. Jan Jacobs Dijk, nu boer op ‘De Hoeve’, noemt zichzelf Dijk, naar de familienaam van zijn moeder. Hij komt met de mededeling dat hij drie hengstveulens voor Van Hugenpoth gekocht heeft, één voor 32 gulden en 12 stuivers, één voor 32 gulden en 6 stuivers en één voor 27 gulden en 6 stuivers. Dit zijn volgens zijn zeggen de beste veulens. Jan heeft blijkbaar niet alleen de boerderij maar ook de paardenhandel van zijn vader overgenomen. De paardenmarkt in Zwolle is in die tijd buiten de Diezerpoort op De Brink.

Met Jacob gaat het niet goed, hij is in de zomer van 1755 erg ziek. Van Oldenneel ziet het somber in, “also hij al een geruymen tijd maar half bij sijn kennis is geweest, en onlangs een sware siekte heeft gehad, en nog niet ter kerke is geweest.”

Tot slot

In de zomer van 1756 wordt de door Jacob gewenste reparatie van de boerderij ter hand genomen. Of de heer Van Hugenpoth zelf is wezen kijken vanuit de Overbetuwe betwijfel ik. Als alles gereed is, schrijft Hendrik Arent van Oldenneel op 24 september: “De reparatie aan De Hoeve is gedaan, nu is de ene kant van ’t huys naast de berg tot aan de bandsdeur geheel gemetselt, de muur so ver de kelder, heeft ook geheel weggebroken moeten worden, de metselaar heeft mij gesegt, dat hij sulks met groot gevaar heeft gedaan, want had gevreest dat het gewulfte soude ingevallen sijn, hetwelk sekerlijk soude geschied sijn, indien het niet een voorsigtig en ervaren metselaar was geweest.”

Ik vermoed dat Jacob de grote opknapbeurt zelf niet meer heeft meegemaakt. Wanneer Jacob en zijn vrouw Geessien precies overleden zijn is niet bekend. Hun zoon Jan is maar heel kort zelfstandig boer, want hij overlijdt jong. Zijn weduwe, Aleida Bouwmeester, hertrouwt in 1764 met Albert Derks uit Ankum en zij zetten de boerderij nog een aantal jaren voort. Maar tussen Albert Derks en de leenman/-vrouw van De Hoeve en hun rentmeester botert het niet en met het boeren gaat het ook niet goed. Bij het betalen van de pacht ontstaat steeds grotere achterstand. Albert klaagt in Lierderholthuis dat hij het “moleken” waar over gesproken was, niet gekregen heeft. Hierop wordt hem door Van Oldenneel de d ur gewezen, want hij wil zelf, aldus Van Oldenneel, niet meewerken. Als in 1769 Cornelia Simanna, freule van Doetinchem, leenvrouw wordt, loopt het uit de hand. Albert Derks kan niet accepteren dat een vrouw zijn meerdere is en stelt zich “brutaal” op, met als gevolg dat uiteindelijk Albert de pacht wordt opgezegd en er i.v.m. de onbetaalde en lopende pacht beslaglegging volgt. In 1770 wordt de boerderij aan iemand anders verpacht.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Rondom Dalfsen, april 2009. Rondom Dalfsen is het huisorgaan van de Historische Kring Dalfsen.

Reacties