Geplaatst door: 
Verhaal

J.J. te Rae, huisarts te Dalfsen

In de Dalfser Courant van januari 1908 stond een advertentie: ‘Gevestigd te Dalfsen J.J. te Rae, arts, ten huize van E. van Kuik Jzn., vanaf Woensdag 15 Januari 1908. Spreekuren van 9.00-10.00 dagelijks.’ Dokter Jacobus Johannes te Rae kwam uit Neede in de Achterhoek, waar hij in 1881 het levenslicht zag. Tot zijn dood in 1955 is hij in Dalfsen gebleven. Het was meester Loman die de pas afgestudeerde dokter Te Rae vroeg om zich in Dalfsen te vestigen.

 

 

De persoon Te Rae

Zo nu en dan hoor ik in mijn praktijk de naam Te Rae nog wel eens noemen. In de trant van: ‘dokter Te Rae zei vroeger altijd...’ enz. Mijn nieuwsgierigheid werd gewekt. Wie was deze illustere historische collega? Historisch, want het is precies bekend wanneer hij leefde en werkte, maar bijna mythisch als je de verhalen over hem hoort. De tijd waarin dokter Te Rae leefde en werkte is dan ook een heel andere dan onze huidige tijd. Dokter Te Rae werkte dus kort samengevat ongeveer veertig jaar in Dalfsen in de eerste helft van de twintigste eeuw tot vlak na de Tweede Wereldoorlog; toen werd hij opgevolgd door dokter Van der Pot. De dokter vestigde zich volgens de advertentie in de Dalfser Courant, in 1908 te Dalfsen. Hij hield spreekuur ten huize van E. van Kuik Jzn. Hoe deed hij dat, had hij een afsprakenspreekuur? Nee natuurlijk, het zal een inloopspreekuur zijn geweest, zoals het ook jaren daarna nog het geval was.

 

 

In 1909 verhuisde hij naar het doktershuis op het Kerkplein. Dit huis was eigendom van de gemeente en werd van 1902 tot 1909 bewoond door dokter Scheltema. Het was een hoge witte villa, die later werd afgebroken. Op die plaats is het huidige huis gebouwd, de vroegere woning van dokter Van der Pot, naast restaurant ‘Pien’. Er is nog een eerste steen aanwezig, die door Nelleke te Rae, de dochter van de dokter, in de muur is gemetseld. Nog weer later verhuisde hij naar de Ruitenborghstraat, waar nu dierenarts Koeslag woont.

De twee ongetrouwde zusters van dokter Te Rae, Hendrika en Janna, kwamen ook mee naar Dalfsen. Zij deden veel goed werk voor de bevolking van Dalfsen. Vooral de armere mensen kregen onder andere maaltijden verstrekt en via de vrouwenvereniging kregen ze melk en eieren.

 

 

Op 31 oktober 1928 trouwde Te Rae in Amsterdam met Janneke Bood. Zij was districtsverpleegster in dienst van de Provinciale Overijsselse Vereniging ‘Het Groene Kruis’ in Zwolle. Het echtpaar kreeg drie kinderen: twee zoontjes, die beiden zeer jong overleden zijn en een dochter Nelleke, geboren op 17 mei 1932.

Tijdens de Duitse bezetting bleek dokter Te Rae ook een zeer moedig man te zijn. Hij heeft verscheidene keren met zijn auto neergeschoten vliegers naar een veilige plek gebracht. De vliegers verstopt in zijn kofferbak!

Wat voor man was hij eigenlijk? Om daar achter te komen heb ik met een aantal qua leeftijd zeer krasse dorpsgenoten gesproken. De meesten beschreven hem als ‘klein van stuk’. Vaak werd zijn naam als verkleinwoord gebruikt: ‘Te Rae-chie’. Hij was gezien: ‘Een goede dokter voor ons soort mensen’. Bedoeld werd: een dokter voor gewone mensen.

 

 

Wat de doktersrekening betreft: hij keek de mensen erop aan, hij keek ze figuurlijk gesproken, in de portemonnee. Rijke mensen moeten maar iets meer betalen, vond hij. En hoe ging die betaling? Van een ziekenfonds was voor de oorlog geen sprake, pas in 1941 tijdens de Duitse bezetting kwam het zogenaamde ziekenfondsbesluit. De meeste patiënten waren dus particulier verzekerd. Hier en daar werd een aarzelend begin gemaakt met een onderling fonds. Of een zogenaamde ‘doktersbus’: mensen betaalden wekelijks een paar centen; het jaarlijkse gespaarde bedrag bedroeg dan ongeveer de kosten van een doktersvisite aan huis. Deels betalen in natura kwam ook veelvuldig voor. Men gaf iets ‘van de slacht’ of men gaf eieren met Pasen.

De vooroorlogse maatschappelijke situatie in Dalfsen

Naast mijn belangstelling voor de persoon Te Rae, ben ik geïnteresseerd in de tijd waarin hij leefde en de soort gezondheidszorg in die tijd.

Hoe was de sociale situatie voor de oorlog in Dalfsen? Die was bepaald niet rooskleurig. De boeren op hun gemengde bedrijven werkten hard, maar rijk werden en waren ze niet. Honger werd er uiteraard niet geleden, er werd immers voldoende verbouwd. In arbeidersgezinnen werd wel veel armoede geleden. Maar met armoede loop je niet te koop; voor de dominee en de pastoor was er dan ook een uitgebreide maatschappelijke taak, naast hun pastorale. Ze werden vaak getipt dat er in bepaalde gezinnen schrijnende situaties bestonden. In andere gevallen moest de gemeentelijke armenzorg de toestand van armlastigen verzachten.

 

 

Terug naar dokter Te Rae. De dokter reed zijn visites meestal op zijn motorfiets ‘tuffie’, en bij slecht weer met de auto. Vlak voor de oorlog was hij een van de weinigen die zo’n automobiel bezat, want in 1930 waren in Dalfsen maar zeven autobezitters. In zo’n auto - een soort koetsje met motor - zat je dan wel droog, maar ook heel snel vast in de modder. Vaak moest er een boer met zijn paard aan te pas komen om de dokter met z’n auto weer op het rechte pad te helpen.

De infrastructuur was voor de oorlog verre van ideaal. Een verhard wegennet zoals wij dat nu kennen, was er niet. Alleen doorgaande wegen waren verhard. Hoe kwam je ’s winters als dokter zo snel mogelijk in de Marshoek? Te Rae deed dat op z’n motorfiets over de spoordijk, naast de rails. Van de spoorwegen had hij permissie gekregen om van deze route gebruik te maken. In die tijd had de NS stations, of liever stopplaatsen, in de Marshoek en ook in Herfte.

Een prachtig anekdotisch verhaal: dokter Sauer, destijds huisarts in Lemelerveld, wilde met spoed een patiënt naar het ziekenhuis in Zwolle laten vervoeren. Hij liet op zijn verzoek de trein stoppen en zo liftte de patiënt naar Zwolle. Dokter Te Rae nam ook wel eens lifters mee. Boerinnen die naar de eiermarkt geweest waren in Ommen, te voet natuurlijk, kregen op de terugweg op de Tolhuisweg nog wel eens een lift van hem.

 

 

Het niveau van de gezondheidszorg

Wat kon een dokter voor de oorlog uitrichten? Eerlijk gezegd niet veel; maar waarover beschikte dan hij wel?

Te noemen valt:

1. Kennis van het natuurlijk verloop van een groot aantal ziekten.

2. Tijd en geduld.

3. Geneeskunst; dat wil zeggen geen kunde, maar de kunst van het genezen. De vereniging van artsen, de KNMG, heet al 150 jaar: Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bervordering van de Geneeskunst.

4. Autoriteit en gezag.

5. Gezond verstand.

 

 

Welk instrumentarium had de dokter tot zijn beschikking? Voornamelijk waren dit:

1. Stethoscoop en reflexhamer.

2. Zijn zintuigen, die toen zijn belangrijkste instrumentarium vormden, zoals:

• Ogen: hij keek en wist vaak wat hij zag; hij keek in de ogen en in de mond, ‘zeg eens A’, en hij zag de beslagen tong, de kleur van de huid en de slijmvliezen enz.

• Oren: hij hoorde door middel van zijn stethoscoop en door te kloppen bijvoorbeeld een longontsteking of een hartgebrek. (De moderne arts, ook een specialist, heeft aan zijn gehoor vaak onvoldoende; hij heeft op zijn minst een röntgenfoto nodig.)

• Gevoel: met zijn handrug voelde hij de koorts op ‘t voorhoofd van de patiënt.

• Reuk: hij kon een suikerpatiënt of een nierpatiënt ruiken aan de geur van aceton of ureum.

 

 

Als dokter Te Rae dan wist wat hij gehoord en gevoeld had, kon hij dan een diagnose stellen? Ja, vaak wel, maar kon hij de ziekte dan ook behandelen? Wel, hij kon hechten, hij kon breuken zetten en bij een bevalling de tang hanteren. Abcessen en puisten kon hij openen met het chirurgische mes. Kon hij ook medicijnen geven? Het arsenaal aan medicamenten was zeer beperkt.

Wel had hij tot zijn beschikking:

• hoestdrankjes

• broom, valeriaan, aspirine

• sommige sulfapreparaten

• vingerhoedskruid (digitalis extracten)

• ijzerpreparaten en leverextracten.

(N.B. Penicilline en andere antibiotica waren er nog niet. Toen de Engelse bacterioloog A. Fleming per ongeluk penicilline ontdekte in 1929, duurde het nog lange tijd voordat we er gebruik van konden maken.)

 

 

Ziekte en dood

Ziekten die veel voorkwamen in de tijd van Te Rae waren vooral veel infectieziekten, bijvoorbeeld:

• Longontsteking, met de ‘crisis’ op de negende dag; vóór de crisis waren echter veel mensen al overleden.

• Croupe (of kroep = difterie), die veel slachtoffers eiste.

• Tbc, dat een volksziekte was; zieken verbleven in tentjes in hun tuin of in een sanatorium, bijvoorbeeld Zandhove in Zwolle-Zuid.

• De Spaanse griep, die in 1917/1918 veel slachtoffers maakte.

De dood was een onwelkome gast, die toch frequent op bezoek kwam. Mensen overleden aan ziekten, die wij nu door middel van vaccinaties of antibiotica onder controle hebben en bijna altijd kunnen genezen. Ik hoor nog een oude dorpsgenoot zeggen: ‘Ik heb veel mensen weggebracht. Ja mijn vrouw is ook al “weg”’. Wegbrengen in de betekenis van begraven. En ‘weg’ als metafoor voor de dood. De overledene werd naar het kerkhof gebracht in een zwarte ‘liekauto’ met twee zwarte paarden.

 

 

Hoe kwamen ernstig zieke patiënten in het ziekenhuis te Zwolle?

In de verslagen van het Groene Kruis las ik dat in 1913 de firma Bremer en Sietsma in Zwolle een ziekenauto heeft aangeschaft. Dokter Te Rae meldt dit in een vergadering. De auto is wel erg duur, 40 cent per kilometer. Hij zal proberen reductie te krijgen voor de leden van het Groene Kruis. Ook werden patiënten wel met paard en wagen naar Zwolle gebracht, naar het Roomsche ziekenhuis of naar het Sophia. Ik hoorde van een oude man dat hij met een geperforeerde blindedarm door een auto van Pals, uit de Prinsenstraat, naar het ziekenhuis was gebracht en dat hij weer thuis gebracht was in een kledewagen (huifkar).

Onze overheid heeft er in het verleden veel aan gedaan om de gezondheidszorg te verbeteren door middel van wetten; ik noem een aantal:

• 1919 Vleeskeuringswet.

• 1920 Arbeidsbesluit: onder andere verbod op werken van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. De moeder moet haar baby goed kunnen verzorgen en voeden.

• 1928 Besmettelijke Ziekte Wet

• 1940 Inentingswet.

• 1941 Ziekenfondsbesluit.

 

 

Ook het particulier initiatief was zeer belangrijk; ik denk hierbij aan de oprichting van kruisverenigingen. Het Groene Kruis, dat in 1907 in Dalfsen is opgericht, telde in 1915 reeds 700 leden. De oprichting van het Rooms-Katholieke Wit-Gele Kruis in Dalfsen was in 1939. De wijkverpleegster op de fiets, de brommer of in een DAF-je, was sindsdien niet meer weg te denken uit onze samenleving.

Als we terugkijken op de tijd van dokter Te Rae dan is er wel heel veel ten goede veranderd in ons dorp. Met name de komst van de antibiotica en het landelijk vaccinatieprogramma heeft een ommekeer teweeggebracht in onze gezondheidszorg. Toch konden artsen in vroeger dagen met zeer beperkte middelen veel betekenen voor hun patiënten. Met hun geneeskunst konden ze mensen in elk geval bijstaan en vaak troosten.

 

Dit artikel, van de hand van H. Hultink, is eerder gepubliceerd in “Rondom Dalfsen” (een uitgaven van de Historische Kring Dalfsen), nr. 40 april 2001

Reacties