Geplaatst door: 
Verhaal

’t Mullers en zijn bewoners

Auteur: 
E. Roelofs

Aan het eind van de zestiger jaren loopt de ruilverkaveling ten einde. Veel boeren krijgen een nieuwe boerderij in het Dalfser veld. Aan de Hoevenweg betrekt de familie Warmelink van de Brinkweg hun nieuwe Veldhoeve. Berend Jan Warmelink was getrouwd met de dochter van Evert Lindeboom. Daarmee kwam een eind aan een zeer lange tijd van bewoning van een boerderij door het boerengeslacht Lindeboom. Met een halve hectare grond, een kleine kalverweide en een oude boomgaard kwam de oude vervallen boerderij in handen van de gemeente. Deze was reeds eigenaresse van de gepachte lage graslanden in de Weerd rond de Scherenkolk, de Blankenkolk en Kooikerië, die voor de boerderij liggen.

De kolken zijn restanten van de oude Vecht die hier vroeger met een grote bocht langs liep. Met een beetje fantasie is dat nog goed te zien. De achter de boerderij gelegen hoge landbouwgronden. de grote en de kleine Brink, 't land achter de Molle en de vijf lange akkers aan de oostkant van de Molenstege kwamen in andere handen. In het Dalfser veld, in “de Rosenvoorde", lag ongeveer tien hectare grond, die al van oudsher bij de boerderij hoorde.

De gemeente had wat vage plannen met de boerderij, maar toen in overleg met Monumentenzorg in 1970 de oude boerderij plotseling op de monumentenlijst kwam. bood de gemeente in een landelijke advertentie haar te koop aan. De huidige  bewoners waren de enige inschrijvers en kochten de boerderij voor het zelfde bedrag waarvoor de ruilverkaveling haar aan de gemeente had verkocht. Dalfsen had al een aantal boerderijen die onder Monumentenzorg vielen, maar die behoorden alle tot een landgoed. In die tijd streefde het Oversticht ernaar om in meerdere gemeenten oude zelfstandige boerderijen op de monumentenlijst te krijgen. In Dalfsen was deze boerderij de enige die daarvoor in aanmerking kwam. In Staphorst waren het er enige honderden.

Veel wegen kregen na de ruilverkaveling een nieuwe naam. De oude Molenweg was geheel veranderd en verhard. Een voorstel die weg de Mulderboerweg te noemen, kon geen genade vinden in de ogen van de Raad; het werd Brinkweg, genoemd naar een brink met boerderijen, wat verderop. Vreemd genoeg was over de boerderij niets bekend. Ze was echter nu wel wat zo fraai heet, een monument van Geschiedenis en Kunst. De boerderij was een voorbeeld van Oost-Nederlandse boerderijbouwkunst. Monumentenzorg vermeldt: Saksische 19e eeuwse boerderij onder afgewolfd rieten zadeldak, gevels met vlechtingen, vensters met roedenverdeling en met luiken behangen. Rechts een potstal, eveneens met afgewold rieten zadeldak, links kookhuisje met varkensstal. In een potstal liep 's winters het jongvee vrij rond. De mest werd opgepot en in het voorjaar uitgereden over het land; vandaar de grote dubbele deuren aan de voor- en achterzijde. Er zijn hoegenaamd geen potstallen meer over.

Bij de restauratie, die plaatsvond onder leiding van architecten Vincent Vlaanderen uit Enschede en Reeskamp van Monumentenzorg bleek dat de boerderij nogal eens was veranderd en vergroot. Vlaanderen is ook de architect van het kookhuisje en de karakteristieke houten schuur met rieten dak. Hij is de opvolger van Jan Jans de bekende Twentse architect, die ook de kerk in Oudleusen tekende. De mooie stenen schuur met pannendak is getekend door de Zwolse architect Theo Verlaan, onder toezicht van Monumentenzorg. Na de restauratie werden het voorhuis, de heerd en de deel in oude luister hersteld. Er kwam een passende bestrating met erfbeplanting, heggen, knotwilgen en tuin. Sinds kort herkreeg de statige boerderij de oude naam “'t Mullers". De familie Lindeboom is in Dalfsen een vooraanstaande boerenfamilie geweest. Evert Lindeboom was jarenlang wethouder voor de C.H.U. In de familie wisselen de voornamen Rutger en Evert elkaar af en dat is thans nog zo. Bij de installatie van Burgemeester Ynzonides op 23 april 1919, in het oude gemeentehuis, zit hij op de foto links van de burgemeester.

Zo komen we Lindeboom tegen in kadastrale stukken en als gewaarden in de Rosengaarder marke: in 1868 Evert, in 1832 opnieuw Evert. Rond de eeuwwisseling, dat was in de Franse tijd, zijn er enkele opmerkelijke voorvallen. In 1795 is onder het kerkdorp Dalfsen Hendrik Everts boer op 't Mulderboer, dat was destijds de naam van de boerderij. Na de eeuwwisseling was Jan Everts er boer. In 1811 nemen Jan Everts en zijn vrouw Aaltje Hendriks de naam Lindeboom aan.

't Is wel duidelijk dat de naam Mulderboer te maken heeft met de molen, die in Oosterdalfsen stond. Tijdens de restauratie van de boerderij werden stukken molensteen gevonden, die nu aan elkaar gelegd, voor de deur van de oude paardenstal liggen. De molenbelt van de omstreeks 1875 afgebroken molen, werd tijdens de ruilverkaveling afgegraven. Het oude molenwegje is toen eveneens verdwenen.

Op 18 december 1760 had Willem Hendriks de boerderij 't Mullers gekocht, dat was toen de naam van de boerderij. Zijn weduwe Engbertien Geerts, later weer getrouwd met Roelof Claas verkoopt in 1770 ’t Mullers aan Jan Willems en Janna Harms. Zij nemen een hypotheek groot f 120,- van Harm van Sonsbeek met als onderpand het Jan Mulders. Gerrit Hendriks en Maria Hendriks moeten hem later onderhouden, waarna ze “alles van hem krijgen".

Het is hoogst zeldzaam dat in die tijd een boerderij al eigendom is van de boer die er op woont en die daardoor gewaard was in de Rosengaarder marke. In de marke waren de boeren meiers (pachters) en een der erfgenamen, eigenaren van de 76 waren, was hun landheer. De eigenaren vormden het bestuur van de marke, voorzitter was de erfmarkerichter, de Heer van de Ruitenbergh. In de 18e eeuw zijn de eigenaren van de erven, de gewaarden ontstaan. Dit blijkt ook uit de samenstelling van de erfgenamenvergadering van de marke.

In 1765 vergaderen zij in het Rode Hert. Er verschijnen daar behalve de erfmarkerichter Sloet tot den Ruitenberg, heren uit Dalfsen, zoals Mulert tot de Leemcule en d'Eysschen tot Gerner. Verder Zwolse heren, burgemeester en prof. Jordens uit Deventer. Maar, en hier vinden we een nieuw element bij de naam van de heer van Gerner wordt aangetekend dat hij ook gevolmachtigd is voor Willem Hendriks en nog vier mannen, blijkbaar gewone boeren.

In 1804 verschijnen behalve de markerichter van Fridagh en baron van Echten tot Gerner bijna alleen mannen als Jan Everts, Geert Luchies, Derk Schutte, dus boeren en geen landheren. Willem Hendriks en Jan Everts waren boer op 't Mullers of Mulderboer en al vroeg eigenaren of erfgenamen en gewaarden in de marke.

Er komen in Overijssel slechts enkele boer-erven voor. Een van de bekendste is de A-boer bij Adorp, tussen Almelo en Vriezenveen. De bekende boerderij ligt evenals Mulderboer met het voorhuis aan de weg, terwijl boerderijen bijna altijd met het achterhuis aan de weg lagen.

De A-boer was dan ook tevens café en is dat nog steeds. Volgens de overlevering is 't Mullers vroeger ook café geweest, vandaar waarschijnlijk het vroege optreden als zelfstandig erf, temidden van zo'n groot aantal landheren. Een gemetselde kat op de heerd herinnert nog aan die tijd. Het is best aannemelijk dat de boer op 't Mullers zo een graantje mee pikte van het molenaarsbedrijf in Oosterdalfsen, door als aanlegcafé te dienen voor boeren en bakkers die hun graan lieten malen op de Dalfser molen.

Willem Hendriks had de boerderij gekocht van de Diaconie: „Op 4 februari 1761 verschenen voor Jan Fabius Scholtus en Gerrit Bloemendal Diaken met Gerrit Gerrits als momber (voogd) over Geertje Hendriks om te transporteren aan Willem Hendriks en desselfs huysvrouw het Mullers genaamt gelegen in de Buerschap Gerner als het selve door wijlen Hendrik Hannessen is beseten geweest en op 18 december 1760 bij publieke veylinge is verkoft."

Uit de Acta van de Kerkeraad blijkt dat de vier onmondige kinderen van wijlen Hendrik Hannessen op ’t Mullers in de kost gedaan waren, “'s weeks a 10 stuivers en 't jongste zelfs à 8 stuivers". Geertje Hendriks was een voorkind. De Diaconie vermeldt dat de „saak in 't vriendelijke konde afgedaan worden". Er is nog een vermelding van een rekening van de Heer Ontvanger Vriesen over restanten der verpondinge, contributie en vuursteden ten laste van Hendrik Hannessen. We komen Hannessen (of Hannes) al tegen in 1735, 1732 en 1715.

Tot aan het begin van de vorige eeuw heeft Dalfsen drie molens gehad, die van Rechteren en Lenthe en de Dalfser molen, die in Oosterdalfsen stond aan “de olde Vechte", daar waar nu de familie Snijder woont. Alleen een oude waterput herinnert nog aan vroeger tijden. Deze molen was eigendom van de Heer van de Ruitenborg. Reeds in 1634 was er een Snel molenaar. Willem Jansen Snel is dan betrokken bij het halve erve het Rijmeldink, dat een van de oudste erven is in Oosterdalfsen. In 1688 is Reint Hermsen Snel mulder. Zijn zoon Wilhelmus Snel, ook mulder tot Dalfsen koopt in 1218 een “Camp Saaylang groot 4 mudde gesay met het eggehold" de Tibbenkamp of Mulderskamp grenzende ten noorden aan de Dalfser Mooie en aan de andere syde aan de Molensteeg. In 1719 had hij al een stuk Mulderkamp gekocht voor f 125,-.

In 1698 heeft ene Jan Mulder op een zondagnacht een zak gemalen boekweit en een zak met twee spint rogge op de rug. De man bleef echter volhouden dat dit niet gestolen was. In 1632 worden Werner Hendriks en vrouw vermeld omdat zij een jaarlijkse rente ontvangen ook uit 't Rijmeldink. Deze Werner Hendriks op die Vechte was, in 1638 pachter van het Grote Veer. In 1689 leeft hij nog, 86 jaar oud, en wordt de Oude Veerman genoemd. Waarschijnlijk volgt zijn zoon Hendrik hem op als Veerman in 1663, en komt later een andere zoon Hannes Werner, de vader van Hendrik Hannes, op 't Mullers. Willem Jansen Snel is dan de Oude Mulder. Waar 't Rijmeldink precies lag in Oosterdalfsen is niet bekend, ook niet of de Snels er op hebben gewoond. Het is niet uitgesloten dat de Oude Veerman en de Oude Mulder broers waren. 

't Mullers wordt ook wel “Hendriks plaatse" genoemd. In l727 bevatte de notulen van de marke een: “Lyste van Huisluiden bewoonende de plaatsen soo tot het Sworen ampt zijn bereghtigd in Gerner" (gezworenen, beëdigden).

Reeds vanaf 1699 komen Hendriks en Hannes van 't Mullers daarop voor. Dat de behuizing in die tijd veelal Catersteden zijn, al dan niet bewoond door een gezworene of een meier, moeten we ons niet al te veel voorstellen. De pachters moeten er voor zorgen dat het huis wordt onderhouden “in raecke en dake". Rake is het vlechtwerk van rijshout, dat met klei werd bestreken tussen de vakken, de wand dus. Dake is het rieten of strodak.

Volgens het vuursteden-register en het cohier van hoofdgeld woont in 1675 in Gerner, die Weduwe van Jan op 't Mullers. Voordat in 1818 de Westermolen mag worden gebouwd, wordt er eerst  geprocedeerd. De Graaf van Rechteren verwijst naar een retroacte uit 1662. In dat jaar wilde de weduwe van Johan van Twikkelo. wijlen de Heer van de Ruitenborg, er een tweede korenmolen bijzetten in Oosterdalfsen. De Graaf van Rechteren was  daar tegen. De weduwe van Twikkelo beweerde dat de Vecht de grensscheiding vormde. De Heer van Rechteren voerde aan dat die grensscheiding van de Vecht niet zo veel voorstelde. Over het algemeen is de Vecht zo smal en ondiep, dat men er met gemak met paard en wagen door kon rijden. De Heer van Rechteren is toen in 't gelijk gesteld, er zijn nooit meer dan drie molens geweest.

In 1818 kreeg hij echter geen gelijk en werd de Westermolen gebouwd, de vierde Dalfser molen, waarop Gerrit Helmus Snel molenaar werd. In oude tijden werd op de hoge gronden geleefd. Vooral langs de grillige Vecht was dat veiliger. Die hoge gronden en de Vechtduinen vormden de natuurlijke bedijking. Hier ontstonden de nederzettingen Welsum en Oosterdalfsen. In Dalfsen was er maar een enkele hoogte: die waar ook de kerk op stond tot de Belte, en dat was langs de Vecht de laatste. Tussen de hoge gronden in Oosterdalfsen en Dalfsen maakte de Vecht een grote bocht, aan de noordzijde van die bocht lag het huis Gerner, aan de zuidzijde was de grond eigendom van Rechteren. De hoge gronden van Oosterdalfsen hadden een uitloper tot aan de Vecht bij Gerner. Op die uiterste punt, vlak aan de Vecht, lag 't Mullers, na de kerk het hoogste punt van Dalfsen. Door afgravingen, dijk- en wegenaanleg en ophogen van erven is daar weinig meer van te zien.

In 1625 steeg het water zo hoog, dat de kerk werd “bedreigd met wegspoelen". Daarna is de Vecht omstreeks 1630 recht getrokken. De historische grond tussen de oude en de nieuwe Vecht werd daarna “het eiland" genoemd. Ook werd later de bocht uit de Vecht gehaald ter hoogte van de Dalfser molen. Beide ingesloten stukken grond bleven bij Rechteren horen. 't Mullers bleef in 1926 bij de grote overstroming droog. In de neuten van de baanderdeuren zijn thans nog sleuven te zien, waarin vroeger schotten werden geplaatst bij hoog water.

't Mullers en later Mulderboer liggen in Gerner, terwijl de molen in Oosterdalfsen op steenworpafstand stond, is dat niet merkwaardig? Er was echter reeds eerder een molen in Dalfsen, en wel een watermolen in Gerner, de voorloper van de Oosterdalfser windmolen. In oude tijden boden watermolens aan rivieren en beken de enige mogelijkheid om drijfkracht te krijgen voor het malen van graan. Het recht om een watermolen te bezitten berustte eveneens bij de landheer. Zo bezat het Huis Gerner het recht van de visserij op de Vecht, de schoolmeesterij en het recht om een korenmolen te houden. De Heren van Gerner zullen zeker van dat recht gebruik hebben gemaakt. Er is echter nooit sprake geweest van een windmolen. Omstreeks 1300 waren de dijken langs de Vecht voltooid. Dat was een gigantisch werk voor die tijd. In 1311 werd de Rosengaarde verdeeld. De bezitters van de marke-erven waren de adel, en in mindere mate de kloosters en gasthuizen.

In de middeleeuwen en lang daarna was het algemeen gebruik om de pachter van een erf te noemen naar de boerderij waar hij op woonde. Al in 1330 ontmoette men in de marke Engelbert van Gerner en Johan Ter Molen. Ter Molen lag aan de Vecht waar nu 't Mullers ligt. Daar lag de watermolen van Gerner. Het schattingsregister van Salland vermeldt “in die buerscop toe Dalfsem, meyster Johan die Mulner", en in 1400 -1420 - 1490, die Muller, de Mulner en die Mulner.

Johan van Almelo was in het begin van de 14e eeuw een invloedrijk edelman. Hij huwde met Gostuwe van Gerner en kwam zodoende in het bezit van Gerner en dus ook van Ter Molen. Bij Hellendoorn aan de Regge lag het huis Ter Molen, het latere Schuilenburg. In 1339 kocht Johan van Almelo dit Ter Molen, dat een watermolen had aan de Regge, van Johan Ter Molen “toe der Moelen". Hierdoor kwam hij in het bezit van beide Ter Molens.

Een tekening uit begin 1600 toont het “Huys Schuylenborgh met de Watermoole". In 1380 is Gerner door de Bisschop van Utrecht vernield en daarna eerst niet meer opgebouwd. De Ruytenberg, eveneens vernield, werd in 1389 wel weer opgebouwd. Er kwam voor de Ruytenberg een bloeitijd onder de machtige Van Twickelo's.

De Ruytenberg, verkreeg zelf Gernerse goederen. Het is dan ook zeer aannemelijk dat daarom de Heer van de Ruytenberg een korenmolen in Oosterdalfsen aan de Vecht liet bouwen. Daar was immers al een watermolen en hij was „gerechtigd over de winden van Dalfsen.

De hogere gronden daar lagen voor een kostbare korenmolen ook veel veiliger en waren beter bereikbaar. Tevens waren in de middeleeuwen Oosterdalfsen en Welsum het centrum van de gemeenschap Dalfsen. We hebben reeds gezien dat daarna de Weduwe van Twickelo er in 1567 zelfs een tweede molen bij wil zetten. Er is ook al eens eerder een ruilverkaveling in de Rosengaarder marke geweest. In de marke trof men 76 gewaarden of gerechtigden aan. Een volle waar was ongeveer 12 ha groot.

Het Agnietenklooster in Zwolle was eveneens gerechtigd. Door schenkingen waren in de middeleeuwen de “Broeders des Gemenen Levens" van het klooster in bezit gekomen van meerdere verspreid liggende gronden in de Rute in de marke. In 1435 werd door het klooster een soort ruilverkaveling uitgeschreven om de losse stukken grond bij elkaar tot een blok van 50 ha te verkrijgen. In die tijd schreef Thomas a Kempis in het Agnietenklooster het beroemd geworden boek “de navolging van Christus". Het was zeer goed mogelijk dat hij zich met de wissel heeft gemoeid en zelfs de Acten van wissel heeft geschreven. Het is bekend dat Thomas a Kempis gedurende enige tijd tussen 1432 en 1448 procurator van het Agnietenklooster is geweest. Het is de oudst bekende ruilverkaveling in Europa. Ook Ter Molen in Gerner was bij deze ruilverkaveling betrokken. We komen de namen tegen van de erven Rimeldinc (Rijmeldink), Meyster van lttersim, Geert Hauwert, Oelreking en Lubberts Kvnder ter Moelen. De tekst luidt: “Wij doen kundich allen luden mit dissen openen brieve, dat wij voir ons en de voir onse erfgenamen gewisselt hebn mitter prior en de convente des cloesters der regulieren intante Agnetenberghe onse ware in der Ruten, geslaghen in Wisschinc toe Gharner gelegen tussen Ulrinkinc an die ene side ende Lubberts kynder ter Moelen an die andere side, welke ware die prior in die voertiden gewisselt hebn van Haken van Ruvterberghe in die Monninks ware toe Walsum". Op 22 januari 1435 begint de wissel, en komt dat jaar nog gereed.

't Mullers is wel een zeer oud erf, prachtig gelegen aan de Vecht, in Oosterdalfsen. De boerderij behoorde vroeger bij Gerner en grensde aan Rechteren; vlakbij lag toen de Dalfser Molen van de Ruitenberg. Die bijzondere ligging en haar bewoners hebben de geschiedenis niet gemakkelijk gemaakt, maar wel hoogst interessant.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Rondom Dalfsen 1990, nr. 5. Rondom Dalfsen is het huisorgaan van de Historische Kring Dalfsen.

Reacties